Internationale vergelijking perinatale sterfte

Sla de grafiek Perinatale sterfte internationaal 2015 over en ga naar de datatabel

Euro-Peristat, 2018

  • Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte. Met uitzondering van: Bulgarije (800+ gram of 26+ weken); Ierland en Hongarije (500+ gram of 24+ weken); Oostenrijk en Slovenië (500+ gram)
  • Foetale sterfte vanaf 28 weken zwangerschapsduur
  • Figuur toont  EU Europese unie (Europese unie)-landen, Noorwegen, Zwitserland en IJsland. Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Spanje en Portugal zijn niet in de figuur opgenomen omdat voor deze landen geen data beschikbaar waren voor  neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) vanaf 24 weken zwangerschap
  • Jaarlijkse fluctuaties en betrouwbaarheidsintervallen zijn mogelijk groter voor enkele landen met kleine aantallen geboorten zoals Cyprus, IJsland, Luxemburg en Malta
  • VK: Verenigd Koninkrijk

Nederlandse perinatale sterfte in de Europese middenmoot

In 2015 was de  perinatale sterfte Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. (Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. ) in Nederland 4,2 per duizend geboortes. Vergeleken met het vorige Euro-Peristat-rapport over 2010 is dit een afname van 20%. De Nederlandse positie in de rangorde van landen met de laagste perinatale sterfte verbeterde van de 15e plek in 2010 naar een gedeelde 11e plek in 2015. Voor de Europese vergelijking worden aangepaste maten gebruikt en de perinatale sterfte is hier daarom de som van doodgeboorte vanaf 28 weken zwangerschap en  neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) in de eerste vier weken na geboorte vanaf 24 weken zwangerschap. De doodgeboorte vanaf 28 weken zwangerschapsduur is het sterkst (met 32,5%) gedaald: van 4,3 per duizend geboortes in 2004 naar 2,2 per duizend geboortes, waarmee Nederland voor deze foetale sterfte tot de beste  EU Europese unie (Europese unie)-landen behoort. Voor de sterfte van levendgeborenen (neonatale sterfte) gerekend vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte staat Nederland in de middenmoot. Deze sterfte daalde tussen 2004 en 2015 van 2,8 per duizend geboortes in 2004 tot 2,0 per duizend geboortes in 2015. Dit is een daling van 28,6% (Euro-Peristat, 2018). 

Vergelijkbaarheid afhankelijk van zwangerschapsduur

De in deze internationale vergelijking gepresenteerde cijfers verschillen van de cijfers voor Nederland vanaf 22 weken zwangerschap (zie Perinatale sterfte in Nederland). Voor een betere onderlinge vergelijkbaarheid heeft Euro-Peristat gekozen voor doodgeboorte vanaf 28 weken zwangerschapsduur en de neonatale sterfte vanaf 24 weken. Met deze grenzen worden verschillen in registratie en beleid tussen de landen gecompenseerd. Zo wordt foetale sterfte onder de 28 weken in sommige landen niet geregistreerd, zijn in Nederland ook zwangerschapsafbrekingen tot 24 weken in de cijfers opgenomen en zijn er verschillen in actieve behandeling bij extreme vroeggeboorte onder de 24 weken. 

Nederlandse positie recent verbeterd, trends tot 2004 minder gunstig 

Tussen 2010 en 2015 verbeterde de Nederlandse positie in de rangorde van landen met de laagste perinatale sterfte zich, maar tot 2004 was de trend in Nederland minder gunstig dan elders in de EU. Begin van deze eeuw heeft Nederland zijn oorspronkelijke toppositie met een lage perinatale sterfte in de jaren zeventig en tachtig verloren ten opzichte van het EU-gemiddelde. Uit de eerste Peristat-studie bleek dat in 2000 de perinatale sterfte in Nederland het hoogst was van de toenmalige  EU15 De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden. (De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden.)-landen ( Mohangoo et al. 2008 Mohangoo, A. D., Buitendijk, S. E., Hukkelhoven, C. W. P. M., Ravelli, A. C. J., Rijninks-van Driel, G. C., Tamminga, P., Nijhuis, J. G., Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie (2008) ; Buitendijk et al. 2003 Buitendijk, S. E., Zeitlin, J. A., Cuttini, M., Langhoff-Roos, J., Bottu, J., Indicators of fetal and infant health outcomes (2003) ). Voor de tweede Peristat-studie, vijf jaar later, zijn gegevens verzameld voor de toen 25 lidstaten van de Europese Unie plus Noorwegen voor het peiljaar 2004. In dat jaar was de sterfte in Nederland gedaald ten opzichte van de vorige periode. De daling in andere landen was echter vaak even sterk of sterker ( Mohangoo et al. 2008 Mohangoo, A. D., Buitendijk, S. E., Hukkelhoven, C. W. P. M., Ravelli, A. C. J., Rijninks-van Driel, G. C., Tamminga, P., Nijhuis, J. G., Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie (2008) ). 

Diverse verklaringen mogelijk voor internationale verschillen

Verklaringen voor de verbeterde Nederlandse positie hangen samen met veranderingen op het gebied van de organisatie van zorg, populatie en risicofactoren ( Broeders et al. 2019 Broeders, L, Achterberg, PW., Waelput, AJ. M., Ravelli, AC. J., Kwee, A, Groenendaal, F., Offerhaus, P, van der Velden, K, Rosman, AN., Nijhuis, JG., [Decrease in foetal and neonatal mortality in the Netherlands; comparison with other Euro-Peristat countries in 2004, 2010 and 2015]. (2019) ; zie Trends in perinatale sterfte). Verschillen in het aandeel tienermoeders of oudere en rokende moeders, het aandeel tweelingen en ivf-behandelingen en het aandeel moeders met niet-westers allochtone herkomst kan een deel van de internationale verschillen in perinatale sterfte verklaren. Nederland scoorde daar in het verleden relatief hoog op, met uitzondering van tienerzwangerschappen ( Mohangoo et al. 2008 Mohangoo, A. D., Buitendijk, S. E., Hukkelhoven, C. W. P. M., Ravelli, A. C. J., Rijninks-van Driel, G. C., Tamminga, P., Nijhuis, J. G., Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie (2008) Mackenbach 2006 Mackenbach, J. P., Perinatal mortality in the Netherlands: everyone's problem and yet no one's problem. (2006) ; Nijhuis & Buitendijk 2004 Nijhuis, J. G., Buitendijk, S. E., High perinatal mortality in the Netherlands compared to the rest of Europe (2004) ; Achterberg & Kramers 2001 Achterberg, P. W., Kramers, P. G. N., Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit internationaal perspectief, Bilthoven (2001) ). 

Verder verklaart terughoudend beleid bij extreem vroeggeboren kinderen mogelijk de hogere sterfte onder deze groep vroeggeborenen in Nederland ( Zeitlin et al. 2008 Zeitlin, J. A., Draper, ES., Kollée, L. A., Milligan, D., Boerch, K, Agostino, R, Gortner, L., van Reempts, P, Chabernaud, J. -. L., Gadzinowski, J, Bréart, G, Papiernik, E., MOSAIC Research group, Differences in rates and short-term outcome of live births before 32 weeks of gestation in Europe in 2003: results from the MOSAIC cohort (2008) ). Sinds 2007 wordt in Nederland echter ook een actiever beleid gevoerd. Dit heeft bijgedragen aan een geleidelijke daling van de sterfte onder kinderen die na een zwangerschapsduur van 24 tot en met 29 weken geboren worden ( Oudijk & Pajkrt 2018 Oudijk, M. A., Pajkrt, E., Spontane vroeggeboorte in Nederland. (2018) Zegers et al. 2016 Zegers, MJ., Hukkelhoven, CW. P. M., Uiterwaal, CS. P. M., Kollée, LA. A., Groenendaal, F., Changing Dutch approach and trends in short-term outcome of periviable preterms. (2016) ; zie Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte). Uit een vergelijking met Finland, één van de beter presterende landen, blijkt dat het sterfteverschil tussen Nederland en Finland tussen 2008 en 2018 sterk is afgenomen, vooral bij de a terme sterfte. Het verschil dat er nog is, komt vooral omdat er in Nederland vaker kinderen te vroeg worden geboren ( Achterberg et al. 2020 Achterberg, P. W., Harbers, M. M., Post, N. A. M., Visscher, K., Beter weten: een beter begin Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. RIVM Briefrapport 2020-0140, Bilthoven (2020) ).

Meer informatie


Relatief klein aandeel keizersneden in Nederland

Nederland behoort samen met de Scandinavische landen en Estland tot de landen met het laagste percentage keizersneden (minder dan 20%). De percentages zijn het hoogst in enkele Zuid-Europese landen (vooral Cyprus, Roemenië, Bulgarije), Polen en Hongarije. Zowel het percentage geplande keizersneden als het percentage spoedkeizersneden is laag in Nederland. Voor de trend tussen 2010 en 2015 laten de landen een heterogeen beeld zien. De grootste daling was te zien in Litouwen, Letland, Portugal, Estland en Italië. In Hongarije, Polen en Roemenië was er juist sprake van een aanzienlijke stijging (Euro-Peristat, 2018).  

Meer informatie


Grote variatie vroeggeboorten in EU-landen

Het percentage levendgeborenen dat te vroeg (vóór 37 weken) geboren werd, varieerde in 2015 in de landen van de Europese Unie ( EU Europese unie (Europese unie)), Noorwegen, Zwitserland en IJsland van ongeveer 6 tot 12%. Ongeveer 1% van de baby's in de EU werd geboren vóór 32 weken (Euro-Peristat, 2018). Mogelijke verklaringen voor de variatie in de EU zijn verschillen in  overgewicht Er is sprake van overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 25 kg/m2 (Er is sprake van overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 25 kg/m2), roken en blootstelling aan factoren uit de omgeving (zoals luchtverontreiniging door fijn stof), verschillen in kunstmatig opgewekte vroeggeboorte vanwege medische oorzaak en verschillen in de behandeling van onvruchtbaarheid. Ook verschillen in de manier waarop de zwangerschapsduur wordt vastgesteld spelen mogelijk een rol ( Delnord et al. 2015 Delnord, M, Blondel, B, Zeitlin, J. A., What contributes to disparities in the preterm birth rate in European countries? (2015) ).

Meer informatie


In Noord-Europa laagste percentages baby's met laag geboortegewicht

Het percentage levendgeborenen met een geboortegewicht onder de 2500 gram varieerde in 2015 in de landen van de Europese Unie ( EU Europese unie (Europese unie)), Noorwegen, Zwitserland en IJsland van 4,2 tot 10,6% (Euro-Peristat, 2018). Deze variatie komt vooral door verschillen tussen landen in de percentages baby's met een geboortegewicht tussen 1500 en 2500 gram. Noord-Europese landen hadden de laagste percentages kinderen met een geboortegewicht onder de 2500 gram. In internationale vergelijkingen wordt de grens van 2500 gram beschouwd als maat voor een te laag geboortegewicht en 1500 gram voor een veel te laag geboortegewicht.

Genetische verschillen verklaren deel variatie in geboortegewicht

Bij de interpretatie van verschillen tussen landen moet rekening gehouden worden met de fysiologische variatie in geboortegewicht in Europa. Met andere woorden, sommige landen hebben een lager gemiddeld normaal geboortegewicht dan andere door genetische verschillen tussen bevolkingsgroepen (Euro-Peristat, 2018Euro-Peristat, 2013). 

Meer informatie


Percentage dat borstvoeding krijgt rond het  EU Europese unie (Europese unie)-gemiddelde

Het percentage zuigelingen in Nederland dat na drie en na zes maanden nog (gedeeltelijk) borstvoeding krijgt ligt rond het EU-gemiddelde. Het percentage dat borstvoeding krijgt wijkt af van het percentage bij het onderwerp borstvoeding, vanwege andere meetmethoden en andere meetmomenten dan bij de Nederlandse cijfers.

In Noord-Europa geven meer vrouwen langer borstvoeding

Met name in Noord-Europa, zoals Estland, Noorwegen en Zweden geven meer vrouwen gedurende een langere periode borstvoeding dan in Nederland. In Zweden krijgt ongeveer 80% van de zuigelingen van drie maanden (gedeeltelijk) borstvoeding (WHO-HFA, 2020). Na zes maanden is dit nog zo’n 63%. Ook in Hongarije geven meer moeders de borst dan in Nederland, en ook gedurende een langere periode. De verschillen tussen landen zijn deels te verklaren door methodologische verschillen, maar een deel is mogelijk ook te verklaren door verschillen in verlofregelingen. Zo is het in Hongarije gebruikelijk dat moeders drie jaar ouderschapsverlof opnemen, deels met behoud van salaris ( Kamerman & Moss 2009 Kamerman, S. B., Moss, P., The politics of parental leave policies. Children, parenting, gender and the labour market, Bristol (2009) ).

Meer informatie

  • A.J.M. Waelput (Erasmus MC)
  • M. Harbers ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu))
  • P.W. Achterberg (RIVM)
  • E.A. van der Wilk (RIVM)