Tabel: Bronnen bij de cijfers over ADHD Attention Deficit Hyperactivity Disorder (Aandachtstekort-stoornis met hyperactiviteit)

Bron

Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2 (NEMESIS-2)

Prevalentie ADHD bij volwassenen

Prevalentie ADHD in kindertijd

Nederlandse bevolking van 18 tot en met 44 jaar

NEMESIS-2
Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA Longitudinal Aging Study Amsterdam) Prevalentie ADHD bij ouderen Nederlandse bevolking van 60 tot en met 94 jaar LASA
CBS Centraal Bureau voor de Statistiek-Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn ADHD-achtige symptomen Nederlandse scholieren in klas 2 en 4 CBS-GezondheidsenquêtePOLS, gezondheid en welzijn
Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC Health Behaviour in School-aged Children) Study Aantal kinderen met ADHD-achtige symptomen / Hyperactiviteit Nederlandse jongeren van 11 tot en met 16 jaar HBSC
Nivel Zorgregistratie eerste lijn Jaarprevalentie  Nederlandse bevolking

Nivel Zorgregistraties eerste lijn (NZR)

 


De gebruikte methode om ADHD te schatten bepaalt uitkomsten

De gevonden prevalentiecijfers voor ADHD , voor zowel kinderen als volwassenen, zijn sterk afhankelijk van de onderzoekspopulatie en gebruikte onderzoeksmethode. Factoren die van invloed kunnen zijn, zijn ( Skounti et al. 2006 Skounti, M, Philalithis, A, Galanakis, E, Variations in prevalence of attention deficit hyperactivity disorder worldwide (2006) ):

  • selectie van de onderzoekspopulatie (bijvoorbeeld leeftijd, etnische achtergrond en sociaaleconomische status van de onderzochte personen)
  • de gebruikte bron van informatie (ouder, leraar of persoon zelf)
  • aantal vereiste terreinen waarop afwijkend gedrag aanwezig is (bijvoorbeeld thuis en/of op school)
  • gehanteerde diagnostische criteria (volgens ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision, DSM Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Classificatie voor psychische stoornissen. De DSM is ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van de American Psychiatric Association.-III-R, DSM-IV of DSM-5)
  • gebruikte meetinstrumenten

Bovendien is er verschil tussen het meten van de prevalentie Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief. in bevolkingsonderzoek en psychiatrische diagnostiek. In psychiatrisch onderzoek wordt vaak op meerdere momenten met de patiënt, verzorger(s) en zo mogelijk familie, schoolleiders  en partner gesprekken gevoerd, worden testen afgenomen en kan observatie Een observatie is een 'langdurige observatie zonder overnachting'. Dit is een niet geplande vorm van verpleging van minimaal vier aaneengesloten uren, zonder overnachting, op een voor verpleging ingerichte afdeling, met als doel observatie van de patiënt. Een observatie omvat ten minste een… thuis of op het onderzoekscentrum plaatsvinden. In een epidemiologisch onderzoek wordt eenmalig bij de respondent een gestandaardiseerd interview afgenomen (al dan niet door een clinicus).


ADHD in bevolkingsonderzoek NEMESIS

Op bevolkingsniveau zijn gegevens over het voorkomen van ADHD beschikbaar uit het NEMESIS-2-onderzoek onder 18- 44-jarigen ( Tuithof et al. 2010 Tuithof, M, van Dorsselaer, S., de Graaf, R., ten Have, M, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2, Utrecht (2010) ; ten Have et al. 2014 ten Have, M, de Graaf, R., van Dorsselaer, S., Tuithof, M, Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population (2014) ). NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen van 18-64 jaar bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI Composite international diagnostic interview 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname ( de Graaf et al. 2010 de Graaf, R., ten Have, M. M., van Dorsselaer, S., De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten, Utrecht (2010) ). De cijfers over het voorkomen van ADHD zijn afkomstig uit de eerste meting. De prevalentie van ADHD is alleen bij 18-44-jarigen vastgesteld (3.309 personen), omdat bij oudere respondenten de kans groter is op herinneringsfouten.

Het voorkomen van ADHD in de kindertijd is in NEMESIS niet gemeten bij kinderen zelf, maar is retrospectief vastgesteld, door volwassenen van 18-44 jaar te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd. Kindertijd is verder niet gespecificeerd. Hierbij kunnen herinneringseffecten een rol hebben gespeeld, leidend tot zowel over- als onderrapportage. Er is bij de meting niet gebruik gemaakt van informatie van ouders of leerkrachten.

De non-respons in het onderzoek kan hebben geleid tot een onderschatting van de prevalentie ( Tuithof et al. 2010 Tuithof, M, van Dorsselaer, S., de Graaf, R., ten Have, M, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2, Utrecht (2010) ). Onder de non-responders (de mensen die wel gevraagd zijn om mee te doen aan het onderzoek maar die niet meegedaan hebben) kwam namelijk significant vaker minstens één lifetime symptoom van aandachtstekort- en gedragsstoornissen voor dan onder responders ( de Graaf et al. 2010 de Graaf, R., ten Have, M. M., van Dorsselaer, S., De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten, Utrecht (2010) ). Bij het non-responsonderzoek werden na afloop van het veldwerk de non-respondenten telefonisch benaderd, en werd gevraagd naar het voorkomen van drie symptomen van aandachtstekort- en gedragsstoornissen. Daarnaast bleken de moeilijkst te bereiken of te overreden respondenten vaker aandachts- en gedragsstoornissen te hebben ( de Graaf et al. 2010 de Graaf, R., ten Have, M. M., van Dorsselaer, S., De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten, Utrecht (2010) ).


ADHD in bevolkingsonderzoek LASA

In het bevolkingsonderzoek Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) is in 2008-2009 onder personen van 60-94 jaar het voorkomen van ADHD onderzocht ( Michielsen et al. 2012 Michielsen, M, Semeijn, E, Comijs, HC., van de Ven, P, Kooij, J. J. S., Beekman, A. T. F., Deeg, D. J. H., Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in older adults in The Netherlands. (2012) ). Hiertoe werden 1.494 personen gescreend met een ADHD-vragenlijst, afgenomen door een verpleegkundige. Vervolgens werd bij alle personen die een verhoogd risico hadden volgens het screeningsinstrument, een gestructureerd diagnostisch interview afgenomen. Daarnaast werd dit afgenomen bij een steekproef van personen met een matig en laag risico. In totaal werd het diagnostisch instrument afgenomen bij 231 personen. Het instrument Diagnostisch Interview Voor ADHD bij volwassenen (DIVA 2.0) is gebaseerd op de criteria van de DSM-IV-TR ( American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. 2014 American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5), Amsterdam (2014) ). De prevalentiecijfers werden gewogen naar de kans om in de  steekproef terecht te komen, en teruggewogen naar de Nederlandse bevolkingsopbouw- en samenstelling qua leeftijd en geslacht.

 


ADHD-achtige symptomen in de CBS-gezondheidsenquête

De CBS-Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn, is een enquête-onderzoek onder de bevolking van Nederland, woonachtig in particuliere huishoudens. In de periode 2001-2013 is aan ouders of verzorgers gevraagd naar symptomen van ADHD bij hun kinderen van 2-11 jaar oud. De vragen die gesteld werden, luidden:

Kunt u aangeven in welke mate de volgende uitspraken van toepassing zijn op uw kind?

  • Mijn kind vertoont rusteloos gedrag, kan bijna nooit stil zitten
  • Mijn kind zit voortdurend te friemelen en te draaien
  • Mijn kind kan zich slechts kort op een bepaalde bezigheid richten

De antwoordcategorieën luidden: niet van toepassing, enigszins of soms van toepassing, dat is duidelijk van toepassing. Als op alle drie vragen steeds met de categorie 'duidelijk van toepassing' werd geantwoord, wordt gesteld dat het kind ADHD-achtige symptomen heeft. Er is niet gevraagd naar disfunctioneren. Vanaf 2014 zijn de vragen over ADHD-achtige symptomen niet meer gesteld in de CBS-Gezondheidsenquête.


ADHD-achtige symptomen in het HBSC-onderzoek

Het Health Behaviour in School-Aged Children ( Stevens et al. 2018 Stevens, G., Boer, M., de Roos, S., Duinhof, E., ter Bogt, T., van den Eijnden, R., Kuyper, L., Visser, D., Vollebergh, W., de Looze, M., van Dorsselaer, S., HBSC 2017. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Utrecht (2018) )-onderzoek is een internationaal onderzoek naar de gezondheidsbeleving, psychische gezondheid, mate van sociale integratie en risicogedrag onder jongeren van 11-16 jaar. Sinds 2001 wordt dit onderzoek in Nederland elke vier jaar uitgevoerd. De laatste meting dateert van 2017. Leerlingen vullen klassikaal een vragenlijst in, en krijgen een vragenlijst mee voor hun ouders. Sinds 2005 maakt de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ Strengths and Difficulties Questionnaire) deel uit van de vragenlijst. Hiermee kunnen emotionele problemen en probleemgedrag van jongeren worden vastgesteld, waaronder aan aandachtsstoornissen verwante symptomen. De vragenlijst bevat daarover vijf uitspraken (items): rusteloosheid, wiebelen en friemelen, snel afgeleid zijn, impulsiviteit en gebrek aan concentratie. Een voorbeelditem is: ‘Ik ben rusteloos, ik kan niet lang stilzitten’. Hiervan kunnen zij aangeven of dit de afgelopen zes maanden ‘niet waar’, ‘een beetje waar’ of ‘zeker waar’ was. De mate waarin jongeren beperkt worden in hun functioneren, is niet meegewogen.

Bij de presentatie van de resultaten van de SDQ is gewerkt met afkappunten. Het afkappunt is zo vastgesteld dat ongeveer 15 procent van de jeugdigen uit het HBSC-onderzoek van 2005 een score boven dit afkappunt vertoonde. Het gebruik van een dergelijk afkappunt kan leiden tot relatief hoge prevalentiecijfers. Daarom is niet zozeer de absolute waarde van de prevalentie interessant, maar veeleer de verschillen tussen bepaalde groepen jeugdigen of veranderingen in de tijd.


ADHD-achtige symptomen in Nivel Zorgregistraties eerste lijn

Op basis van gegevens van Nivel Zorgregistraties eerste lijn is geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn met ADHD (prevalentie) en hoeveel personen met ADHD er per jaar bijkomen. Voor ADHD is in het huisartsgeneeskundig classificatiesysteem ICPC International Classification of Primary Care-1 geen diagnosecode opgenomen, maar wel twee symptoomcodes. Dat zijn:

  • P21, overactief kind/hyperkinetisch syndroom
  • P20, geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen

Uit de registratie blijkt dat ook volwassenen de symptoomcode P20 of P21 kunnen krijgen. Omdat P20 ook wordt gebruikt bij ouderen met geheugenproblemen, worden in VZinfo voor deze code alleen gegevens tot 45 jaar gebruikt voor de schatting van het aantal mensen met ADHD-achtige symptomen. De trends in de jaarprevalentie Het aantal personen dat een bepaalde ziekte heeft gehad gedurende een bepaald jaar. en het aantal nieuwe diagnoses van ADHD-achtige symptomen zijn uitsluitend gebaseerd op de symptoomcode P21.

Het is belangrijk om te benadrukken dat de cijfers niet direct verwijzen naar personen met een diagnose die voldoet aan de DSM-5 criteria, maar dat het gaat om indicatieve cijfers. Daarom wordt gesproken van het aantal personen met ADHD-achtige symptomen op basis van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn.

Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit