Bijna 7.400 ziekenhuisopnamen voor astma

In 2019 waren er 7.390 klinische ziekenhuisopnamen voor astma. Vrouwen worden vaker opgenomen dan mannen. Het totaal aantal klinische ziekenhuisopnamen had betrekking op 35.515 opnamedagen, waarmee de gemiddelde opnameduur 4,8 dagen bedroeg.
Het aantal opnamen kan groter zijn dan het aantal opgenomen personen, omdat een persoon meerdere keren per jaar opgenomen kan zijn.

Tabel: Ziekenhuisopnamen voor astma 2019

 

Mannen

Vrouwen

Totaal

Aantal klinische opnamen Een klinische opname betreft een verblijf op een voor verpleging ingerichte afdeling, waarvoor één of meer verpleegdagen worden geregistreerd.

2.865

4.525

7.390

  • Aantal verpleegdagen

11.915

23.600

35.515

  • Gemiddelde opnameduur (dagen)

4,2

5,2

4,8

Aantal dagopnamen

2.665

4.280

6.945

Aantal observaties Een observatie is een 'langdurige observatie zonder overnachting'. Dit is een niet geplande vorm van verpleging van minimaal vier aaneengesloten uren, zonder overnachting, op een voor verpleging ingerichte afdeling, met als doel observatie van de patiënt. Een observatie omvat ten minste een…

135

175

310

Totaal opnamen

5.670

8.975

14.645

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (gedownload van CBS Centraal Bureau voor de Statistiek Statline in mei 2021)

  • ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision-codes: J45-J46
  • Aantal opnamen en verpleegdagen zijn afgerond op vijftallen
  • Cijfers zijn voorlopig

Meer informatie


Ziekenhuisopnamen astma naar leeftijd en geslacht

Sla de grafiek Ziekenhuisopnamen voor astma naar leeftijd en geslacht 2019 over en ga naar de datatabel

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (gedownload van CBS Centraal Bureau voor de Statistiek StatLine in mei 2021)

  • ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision-codes: J45-J46
  • Cijfers zijn voorlopig
  • Het absolute aantal ziekenhuisopnamen is zichtbaar in de tabelweergave.

Aantal ziekenhuisopnamen astma het hoogst op lage en hoge leeftijd

In 2019 waren er 7.390 ziekenhuisopnamen voor astma in Nederland (mannen: 2.865 en vrouwen: 4.525). Dit aantal komt overeen met 4,3 opnamen per 10.000 personen (3,3 per 10.000 mannen en 5,2 per 10.000 vrouwen). Het aantal opnamen neemt eerst af met de leeftijd, maar neemt vanaf de leeftijdsklasse 45 tot en met 49 jaar weer toe. In de laagste leeftijdsklassen is het aantal opnamen per 10.000 inwoners voor mannen beduidend hoger dan voor vrouwen. Vanaf 15-19 jaar is dit andersom. 

Meer informatie


Trend ziekenhuisopnamen astma

Sla de grafiek Ziekenhuisopnamen astma 1981-2019 over en ga naar de datatabel

Bron: Landelijke Medische Registratie (1981-2012) en Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (2013-2019). De cijfers zijn gedownload van CBS Centraal Bureau voor de Statistiek StatLine in mei 2021 en bewerkt door het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

  • ICD-9 International Classification of Diseases, ninth revision-codes: 493 (1981-2012); ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision; ICD-10-codes: J45-J46 (2013-2019)
  • Cijfers over 2019 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2019
  • De absolute cijfers (niet gestandaardiseerd) zijn zichtbaar in de tabelweergave.

Verschil ziekenhuisopnamen astma tussen mannen en vrouwen neemt toe

In 2019 waren er 7.390 klinische ziekenhuisopnamen voor astma in Nederland (4,3 per 10.000 personen). In de periode 1981-1992 is het totale aantal klinische opnamen Een klinische opname betreft een verblijf op een voor verpleging ingerichte afdeling, waarvoor één of meer verpleegdagen worden geregistreerd.  afgenomen. Na een stabilisatie tussen 1992 en 2002 nam het aantal opnamen toe, en sinds 2016 neemt het weer af. Het aantal opnamen voor mannen en vrouwen was lang vergelijkbaar, maar vanaf 2005 lopen deze aantallen steeds verder uit elkaar, waarbij het aantal opnamen voor vrouwen hoger ligt. De weergegeven trends zijn gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). Ook het absoluut aantal ziekenhuisopnamen (niet gestandaardiseerd) is in de periode 2016-2019 afgenomen: voor mannen van 3.705 in 2016 naar 2.865 in 2019 en voor vrouwen van 5.130 in 2016 naar 4.525 in 2019.

Meer informatie


Zorgaanbieders geven voorlichting en advies aan patiënten

Zorgaanbieders, in het bijzonder huisartsen, longartsen, kinderartsen, long- of astmaverpleegkundigen en medewerkers van consultatiebureaus en GGD Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst ’en geven voorlichting en adviezen aan (ouders van jonge) patiënten over het treffen van omgevingsmaatregelen ter voorkoming en vooral ter vermindering van klachten van astma. Fysiotherapeuten ondersteunen patiënten bij het verbeteren van hun lichamelijke conditie en het aanleren van technieken voor ademhaling, ophoesten van vastzittend slijm en ontspanning. Sommige ziekenhuizen of thuiszorginstellingen bieden ook speciale spreekuren of cursussen aan bedoeld om (jonge) patiënten beter met hun ziekte te leren omgaan.

Zelfmanagement kan effectiviteit behandeling en kwaliteit van leven verbeteren

De astmapatiënt kan zelf veel doen om de effectiviteit van de behandeling en zijn kwaliteit van leven te verbeteren. Er is een groot aanbod aan zogenaamde zelfmanagementprogramma’s waarin astmapatiënten leren hun eigen verantwoordelijkheid te nemen voor het welslagen van de behandeling. De programma's hebben vaak de vorm van een groepscursus die bestaat uit meerdere bijeenkomsten.

Zorgstandaarden en richtlijnen voor bevorderen goede zorg

Voor astma zijn verschillende zorgstaandaarden en richtlijnen beschikbaar, waarbij onderscheid wordt gemaakt in de doelgroep kinderen en volwassenen. Een zorgstandaard vormt de 'norm' voor goede preventie en zorg bij astma en heeft als voornaamste doel het bevorderen van goede zorg. In een richtlijn staan 'evidence-based' aanbevelingen voor diagnostiek en behandeling van astma voor specifieke beroepsgroepen.

Meer informatie

  • A.M. Gommer (RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)
  • C. Hendriks, red. (RIVM)
  • M.C.M. Busch (RIVM)