Tabel: Vóórkomen van aandoeningen bij de moeder verband houdend met de zwangerschap, bevalling en kraambed.
Aandoening Frequentie Periode Bron
Eclampsie 0,018% 2013-2016 Schaap et al. 2019 Schaap, T.P., van den Akker, T., Bloemenkamp, K.W.M., Zwart, J., van Roosmalen, J., A national surveillance approach to monitor incidence of eclampsia: The Netherlands Obstetric Surveillance System. (2019)
(Pre-)eclampsie 0,34% 2006-2018 Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020)
Hoge bloeddruk* 6% 2006-2018 Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020)
Zwangerschapsdiabetes 7,3% 2019 Horsselenberg et al. 2021 Horsselenberg, M., Leemrijse, C., van Essen, M., Nielen, M., Heins, M., Korevaar, J., Zwangerschapsdiabetes in de Nederlandse huisartsenpraktijk. Incidentie en behandeling., Utrecht (2021)
Fluxus (>1000ml) 6,1% 2020 Perined
Ernstige fluxus 0,5% 2011-2013 Henriquez et al. 2019 Henriquez, D.D.C.A., Gillissen, Smith, Cramer, van den Akker, Zwart, van Roosmalen, Bloemenkamp, K.W.M., van der Bom, group, Clinical characteristics of women captured by extending the definition of severe postpartum haemorrhage with 'refractoriness to treatment': a cohort study (2019)
Placenta loslating 0,2% 2006-2018 Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020)
Ruptuur perineum Perineum is het weefsel tussen de vagina en de anus (Perineum is het weefsel tussen de vagina en de anus )  40,1% 2020 Perined
(Sub)totaal ruptuur perineum  2,2% 2020 Perined
Ruptuur baarmoeder 0,01% 2006-2018 Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020)
Baarmoederverwijdering rondom de bevalling 0,03% 2004-2006 Kallianidis et al. 2020 Kallianidis, Maraschini, Danis, Colmorn, Deneux-Tharaux, Donati, Gissler, Jakobsson, Knight, Kristufkova, Lindqvist, Vandenberghe, Van Den Akker, Systems, Epidemiological analysis of peripartum hysterectomy across nine European countries (2020)
Postpartum depressie 13%   Nuijen & van Bon-Martens 2017 Nuijen, van Bon-Martens, M.J.H., Zicht op depressie: de aandoening, preventie en zorg, Utrecht (2017)
PTSS Posttraumatische stressstoornis (Posttraumatische stressstoornis) 1-2%   Stramrood et al. 2011 Stramrood, C.A.I., Paarlberg, K.M., Huis In’t Veld, E.M.J., Berger, L.W.A., Vingerhoets, J., Willibrord, C.M., Posttraumatic stress following childbirth in homelike- and hospital settings. (2011) ; Haagen et al. 2015 Haagen, J.F., Moerbeek, M., Olde, van der Hart, O., Kleber, R.J., PTSD after childbirth: A predictive ethological model for symptom evelopment. (2015)
  • Bij hoge bloeddruk is geen onderscheid gemaakt tussen al voor de zwangerschap bestaande hoge bloeddruk en hoge bloeddruk die tijdens de zwangerschap is ontstaan.

Incidentie eclampsie is gedaald

De incidentie Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief. (Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief.) van eclampsie is gedaald van 6,2 per 10.000 in 2004–2006 naar 1,8 per 10.000 bevallingen (0,018%) in 2013–2016. Deze daling is het gevolg van een snellere behandeling van hypertensie verhoogde bloeddruk (verhoogde bloeddruk ) in de zwangerschap na aanpassing van de richtlijn ‘Hypertensieve aandoeningen in de zwangerschap’ ( Schaap et al. 2019 Schaap, T.P., van den Akker, T., Bloemenkamp, K.W.M., Zwart, J., van Roosmalen, J., A national surveillance approach to monitor incidence of eclampsia: The Netherlands Obstetric Surveillance System. (2019) ; Koopmans et al. 2009 Koopmans, C.M. , Bijlenga, D. , Groen, H., Vijgen, S.M. , Aarnoudse, J.G. , Bekedam, van den Berg, P.P., Induction of labour versus expectant monitoring for gestational hypertension or mild pre-eclampsia after 36 weeks' gestation (HYPITAT): a multicentre, open-label randomised controlled trial (2009) ). De daling van eclampsie heeft ook geleid tot een daling van het aandeel van hoge bloeddruk in de oorzaken van moedersterfte Aantal vrouwen overleden ten gevolge van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen. (Aantal vrouwen overleden ten gevolge van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.) ( Kallianidis et al. 2022 Kallianidis, A.F., Schutte, J.M., Schuringa, L.E.M. , Beenakkers, I.C.M. , Bloemenkamp, K.W.M., Braams-Lisman, B.A.M., Cornette, J., Kuppens, S.M. , Rietveld, A.L. , Schaap, T., Stekelenburg, J., Zwart, J.J., van den Akker, T., Confidential enquiry into maternal deaths in the Netherlands, 2006-2018 (2022) ) (zie ook Moedersterfte). Ongeveer 6% (599 per 10.000) van de zwangere vrouwen heeft een hoge bloeddruk en ongeveer 0,34% (34 per 10.000) krijgt pre-eclampsie ( Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020) ). Bij pre-eclampsie is er naast een hoge bloeddruk ook sprake van eiwit in de urine doordat de nieren niet meer goed werken. Bij eclampsie komen daar nog stuipen  bij. Eclampsie is de meest ernstige vorm van zwangerschapsvergiftiging en kan leiden tot overlijden van zowel moeder als kind.

Cardiovasculaire aandoeningen belangrijkste oorzaak moedersterfte

Hypertensieve aandoeningen zijn de oorzaak bij 14,2% van de gevallen van moedersterfte. Hartziekten zijn de oorzaak bij 14,9% en trombose (met als mogelijke complicatie een longembolie) bij 13,5% ( Kallianidis et al. 2022 Kallianidis, A.F., Schutte, J.M., Schuringa, L.E.M. , Beenakkers, I.C.M. , Bloemenkamp, K.W.M., Braams-Lisman, B.A.M., Cornette, J., Kuppens, S.M. , Rietveld, A.L. , Schaap, T., Stekelenburg, J., Zwart, J.J., van den Akker, T., Confidential enquiry into maternal deaths in the Netherlands, 2006-2018 (2022) ). Daarmee zijn cardiovasculaire aandoeningen de belangrijkste oorzaak van moedersterfte ( Kallianidis et al. 2022 Kallianidis, A.F., Schutte, J.M., Schuringa, L.E.M. , Beenakkers, I.C.M. , Bloemenkamp, K.W.M., Braams-Lisman, B.A.M., Cornette, J., Kuppens, S.M. , Rietveld, A.L. , Schaap, T., Stekelenburg, J., Zwart, J.J., van den Akker, T., Confidential enquiry into maternal deaths in the Netherlands, 2006-2018 (2022) ; Ramlakhan et al. 2020 Ramlakhan, K.P, Johnson, M.R., Roos-Hesselink , J.W., Pregnancy and cardiovascular disease. (2020) ). Ongeveer 1 à 2 op de 1.000 zwangere vrouwen krijgt veneuze trombose (bloedprop die een grote ader afsluit) tijdens de zwangerschap of rond de bevalling, het meest na een keizersnede. Deze schatting is gebaseerd op buitenlands onderzoek ( Middeldorp & Ganzevoort 2020 Middeldorp, S., Ganzevoort, W., How I treat venous thromboembolism in pregnancy. (2020) ; Galambosi et al. 2017 Galambosi, P.J., Gissler, M., Kaaja, R.J., Ulander, V.M., Incidence and risk factors of venous thromboembolism during postpartum period: a population-based cohort-study. (2017) ; Heit et al. 2005 Heit, J.A., Kobbervig, C.E., James, A.H., Petterson, T.M., Bailey, K.R., Melton, L.J. , Trends in the incidence of venous thromboembolism during pregnancy or postpartum: a 30-year population-based study. (2005) ; James et al. 2006 James, A.H., Jamison, M.G., Brancazio, L.R., Myers, J., Venous thromboembolism during pregnancy and the postpartum period: incidence, risk factors, and mortality. (2006) ).

Eén op de vijftien barende vrouwen verliest meer dan een liter bloed bij de bevalling

Van de barende  vrouwen verliest 6% meer dan een liter bloed (fluxus) ( Perined 2022 Perined, Peristat.nl: v2.2, geüpdatet: 18-01-2022. Data: v1.18, bijgewerkt 12-01-2022 (2022) ). Dit percentage is tussen 2011 en 2020 stabiel gebleven ( Perined 2022 Perined, Peristat.nl: v2.2, geüpdatet: 18-01-2022. Data: v1.18, bijgewerkt 12-01-2022 (2022) ; Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020) ). Bij ongeveer 0,6% is sprake van ernstige fluxus Van ernstige fluxus is sprake als transfusie van 4 of meer eenheden bloed nodig is en/of transfusie van stollingsfactoren en/of verwijdering/embolisatie van de baarmoeder. (Van ernstige fluxus is sprake als transfusie van 4 of meer eenheden bloed nodig is en/of transfusie van stollingsfactoren en/of verwijdering/embolisatie van de baarmoeder. ) ( Zwart et al. 2010 Zwart, J., Yazdani, S.T., Harvey, M.S., de Vries, R.R.P., van Roosmalen, J., Underreporting of major obstetric haemorrhage in the Netherlands. (2010) ; Zwart et al. 2008 Zwart, J., Richters, J.M., Ory, F., de Vries, J.I.P., Bloemenkamp, K.W.M., van Roosmalen, J., Severe maternal morbidity during pregnancy, delivery and puerperium in the Netherlands: a nationwide population-based study of 371,000 pregnancies. (2008) ). Dan is transfusie van 4 of meer eenheden rode bloedcellen nodig, moet een bloedvat worden afgesloten (embolisatie) of moet de baarmoeder worden verwijderd. Bij ongeveer 0,03% van de geboorten moet de baarmoeder worden verwijderd ( Kallianidis et al. 2020 Kallianidis, Maraschini, Danis, Colmorn, Deneux-Tharaux, Donati, Gissler, Jakobsson, Knight, Kristufkova, Lindqvist, Vandenberghe, Van Den Akker, Systems, Epidemiological analysis of peripartum hysterectomy across nine European countries (2020) ). Overmatig bloedverlies is de oorzaak in 9,2% van de gevallen van moedersterfte ( Kallianidis et al. 2022 Kallianidis, A.F., Schutte, J.M., Schuringa, L.E.M. , Beenakkers, I.C.M. , Bloemenkamp, K.W.M., Braams-Lisman, B.A.M., Cornette, J., Kuppens, S.M. , Rietveld, A.L. , Schaap, T., Stekelenburg, J., Zwart, J.J., van den Akker, T., Confidential enquiry into maternal deaths in the Netherlands, 2006-2018 (2022) ). De belangrijkste oorzaak van te veel bloedverlies is dat de baarmoeder na de geboorte van het kind niet goed samentrekt. Als de placenta of een rest van de placenta in de baarmoeder achterblijft, trekt de baarmoeder niet goed samen en kan bloedverlies blijven bestaan. Vaak is dan een handmatige placentaverwijdering nodig. Andere oorzaken zijn bloeding bij een keizersnede, schade aan het baringskanaal of een stollingsstoornis. Een ruptuur van de baarmoeder (gescheurde baarmoeder) kan ook tot veel bloedverlies leiden. Dit komt voor bij ongeveer 0,01% van de zwangerschappen ( Immink et al. 2020 Immink , M.M., Koole, S., Bekker, M.N., Groenendaal, F., Kemmeren, J.M., de Melker, H.E., van der Maas, N.A.T., Background incidence rates of adverse pregnancy outcomes in the Netherlands: Data of 2006-2018. (2020) ). Een gescheurde baarmoeder wordt vrijwel geheel veroorzaakt door littekens van eerdere keizersneden. Daarom is het belangrijk om het aantal keizersneden te beperken ( Zwart et al. 2009 Zwart, Richters, J.M., Ory, F., de Vries, Bloemenkamp, K.W.M., van Roosmalen, J., Uterine rupture in The Netherlands: a nationwide population-based cohort study (2009) ).

Percentage zwangeren met zwangerschapsdiabetes tussen 2015 en 2019 toegenomen

In de jaren 2015-2019 is het percentage zwangere vrouwen met zwangerschapsdiabetes in Nederland toegenomen, van 5,1% van de zwangere vrouwen in 2015 naar 7,3% in 2019 ( Horsselenberg et al. 2021 Horsselenberg, M., Leemrijse, C., van Essen, M., Nielen, M., Heins, M., Korevaar, J., Zwangerschapsdiabetes in de Nederlandse huisartsenpraktijk. Incidentie en behandeling., Utrecht (2021) ). Het percentage van 7,3% in 2019  ligt in lijn met de schattingen uit twee internationale meta-analyses (5,4 en 11%) ( Eades et al. 2017 Eades, C.E., Cameron, D..M., Evans, J.M.M., Prevalence of gestational diabetes mellitus in Europe: A meta-analysis. (2017) ; Paulo et al. 2021 Paulo, M.S., Abdo, N.M., Bettencourt-Silva, R., Al-Rifai, R.H., Gestational Diabetes Mellitus in Europe: A Systematic Review and Meta-Analysis of Prevalence Studies. (2021) ). Mogelijke verklaringen voor de toename zijn toename van ernstig overgewicht Er is sprake van overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 25 kg/m2 (Er is sprake van overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 25 kg/m2), een betere screening en een stijgend aantal zwangerschappen bij oudere vrouwen. De kans op zwangerschapsdiabetes neemt namelijk toe met de leeftijd. Het percentage dat insuline gebruikt neemt de laatste jaren af. Zo kreeg in 2015 ruim 32% van de vrouwen met zwangerschapsdiabetes insuline voorgeschreven en in 2019 21%. Deze afname kan samenhangen met de betere screening. Hierdoor worden ook milde gevallen van zwangerschapsdiabetes vastgesteld waarvoor geen insuline nodig is ( Horsselenberg et al. 2021 Horsselenberg, M., Leemrijse, C., van Essen, M., Nielen, M., Heins, M., Korevaar, J., Zwangerschapsdiabetes in de Nederlandse huisartsenpraktijk. Incidentie en behandeling., Utrecht (2021) ).

Zwangerschapsdiabetes kan nadelige gevolgen hebben voor zowel moeder als kind

Vrouwen die zwangerschapsdiabetes hebben gehad hebben een grote kans op het krijgen van diabetes type 2 later in het leven. Ook het kind heeft later een grotere kans op diabetes type 2 ( Zheng et al. 2017 Zheng, Y, Ley, SH., Hu, FB., Global aetiology and epidemiology of type 2 diabetes mellitus and its complications (2017) ). Bij zwangerschapsdiabetes reageert het lichaam van de zwangere vrouw minder goed op insuline waardoor de bloedglucosewaarde stijgt. Dit kan leiden tot een te zwaar kind bij de geboorte. Ook kan het leiden tot hypoglycaemie (een laag glucosegehalte ) van het kind na de geboorte doordat het kind nog moeite heeft met het zelf op peil houden van de glucosewaarden in het bloed. De hypoglycaemie kan leiden tot hersenschade en coma bij het kind. Risicofactoren voor zwangerschapsdiabetes zijn onder andere een BMI Body Mass Index. De BMI is een index die de verhouding tussen lengte en gewicht bij een persoon weergeeft. De BMI wordt veel gebruikt om een indicatie te krijgen of er sprake is van overgewicht of ondergewicht. (Body Mass Index. De BMI is een index die de verhouding tussen lengte en gewicht bij een persoon weergeeft. De BMI wordt veel gebruikt om een indicatie te krijgen of er sprake is van overgewicht of ondergewicht.) hoger dan 30, het voorkomen van diabetes in de familie, een bloedglucosewaarde die al in het begin van de zwangerschap te hoog is en het hebben van Polycysteus Ovarium Syndroom Polycysteus Ovarium Syndroom (PCOS) is een syndroom dat vaak gepaard gaat met verminderde vruchtbaarheid (Polycysteus Ovarium Syndroom (PCOS) is een syndroom dat vaak gepaard gaat met verminderde vruchtbaarheid ) ( PCOS PCOS (Polycysteus Ovarium Syndroom) is een syndroom dat vaak gepaard gaat met verminderde vruchtbaarheid (PCOS (Polycysteus Ovarium Syndroom) is een syndroom dat vaak gepaard gaat met verminderde vruchtbaarheid )) ( Horsselenberg et al. 2021 Horsselenberg, M., Leemrijse, C., van Essen, M., Nielen, M., Heins, M., Korevaar, J., Zwangerschapsdiabetes in de Nederlandse huisartsenpraktijk. Incidentie en behandeling., Utrecht (2021) ).

Percentage bevallen vrouwen met ruptuur stijgt en percentage dat knip krijgt daalt

Het percentage bevallen vrouwen met een ruptuur (inscheuring) van het perineum is tussen 2011 en 2020 gestegen (van 35,4% naar 40,1%). Die toename betreft vooral vrouwen met een eerste- of tweedegraads ruptuur. Dat percentage is namelijk toegenomen van 33,0% in 2011 tot 37,9% in 2020, terwijl het percentage vrouwen met een (sub)totaalruptuur gelijk is gebleven rond 2,2%. Bij een eerste- of tweedegraads ruptuur zijn alleen de huid, het slijmvlies en het onderliggende bind- en spierweefsel van het gebied tussen de vulva en de anus is ingescheurd. Bij een (sub)totaalruptuur is ook de kringspier van de anus geheel of gedeeltelijk doorgescheurd. In dezelfde periode is het percentage vrouwen dat een knip krijgt (episiotomie) afgenomen. In 2011 heeft 25% van de vrouwen een knip gekregen, in 2020 was dit gedaald tot 17,6%. Vrouwen die voor het eerst zwanger waren en/of die bevielen met hulp van vacuümpomp of verlostang kregen vaker een knip en ook vaker een (sub)totaalruptuur ( Perined 2022 Perined, Peristat.nl: v2.2, geüpdatet: 18-01-2022. Data: v1.18, bijgewerkt 12-01-2022 (2022) ).

Circa één op de tien bevallen vrouwen krijgt een postpartum depressie

De puntprevalentie Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment, absoluut of relatief. (Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment, absoluut of relatief.) van postpartum depressie was in twee Nederlandse studies 2 maanden na de geboorte 8%  ( Blom et al. 2010 Blom, E.A., Jansen, P.W., Verhulst, F.C., Hofman, Raat, H., Jaddoe, V.W.V., Coolman, Steegers, E.A.P, Perinatal complications increase the risk of postpartum depression. The Generation R Study. (2010) ) en 6 maanden na de geboorte 8,5% ( Meijer et al. 2014 Meijer, J.L., Beijers, C., van Pampus, M.G., Verbeek, T., Stolk, R.P., Milgrom, J., Bockting, C.L.H., Burger, H., Predictive accuracy of Edinburgh postnatal depression scale assessment during pregnancy for the risk of developing postpartum depressive symptoms: a prospective cohort study (2014) ). Volgens internationaal onderzoek krijgt ongeveer 1 op de 10 bevallen vrouwen een postpartum depressie ( Woody et al. 2017 Woody, C.A., Ferrari, A.J., Siskind, D.J., Whiteford, H.A., Harris, M.G., A systematic review and meta-regression of the prevalence and incidence of perinatal depression. (2017) ; Dennis & Dowswell 2013 Dennis, C.L., Dowswell, T., Psychosocial and psychological interventions for preventing postpartum depression. (2013) ). Op basis van de percentages uit internationale reviews schat het Trimbos-instituut dat jaarlijks ongeveer 23.000 vrouwen (13%) in Nederland een postpartum depressie krijgen ( Nuijen & van Bon-Martens 2017 Nuijen, van Bon-Martens, M.J.H., Zicht op depressie: de aandoening, preventie en zorg, Utrecht (2017) ;  Trimbos-instituut: Zwangerschap en postpartum depressie). Depressie kan leiden tot suïcide (zelfdoding) en dit is een steeds belangrijkere oorzaak van late moedersterfte ( Kallianidis et al. 2022 Kallianidis, A.F., Schutte, J.M., Schuringa, L.E.M. , Beenakkers, I.C.M. , Bloemenkamp, K.W.M., Braams-Lisman, B.A.M., Cornette, J., Kuppens, S.M. , Rietveld, A.L. , Schaap, T., Stekelenburg, J., Zwart, J.J., van den Akker, T., Confidential enquiry into maternal deaths in the Netherlands, 2006-2018 (2022) ). Er is een sterk verband tussen bevallingsgerelateerde posttraumatische stressstoornis (PTSS) en het ontwikkelen van postpartum depressie ( Ayers et al. 2016 Ayers, S., Bond, R., Bertullies, S., Wijma , K., The aetiology of post-traumatic stress following childbirth: a meta-analysis and theoretical framework. (2016) ). Voor een overzicht van symptomen van een postpartum depressie, risicofactoren en beschermende factoren zie: Trimbos-instituut: Zwangerschap en postpartum depressie 

1 tot 2% krijgt posttraumatische stressstoornis door traumatische bevalling

Een posttraumatische stressstoornis (PTSS) kan ontstaan na blootstelling aan een gebeurtenis die wordt ervaren als traumatisch. Voor ongeveer 9 tot 21% van alle vrouwen was de bevalling een traumatische gebeurtenis. Van deze vrouwen ontwikkelt ongeveer 10 tot 13% PTSS ( Stramrood et al. 2011 Stramrood, C.A.I., Paarlberg, K.M., Huis In’t Veld, E.M.J., Berger, L.W.A., Vingerhoets, J., Willibrord, C.M., Posttraumatic stress following childbirth in homelike- and hospital settings. (2011) ). In Nederlands onderzoek is de prevalentie Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief. (Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.) van bevallingsgerelateerde PTSS enkele maanden na de bevalling 1,2 tot 2,1% ( Stramrood et al. 2011 Stramrood, C.A.I., Paarlberg, K.M., Huis In’t Veld, E.M.J., Berger, L.W.A., Vingerhoets, J., Willibrord, C.M., Posttraumatic stress following childbirth in homelike- and hospital settings. (2011) ; Haagen et al. 2015 Haagen, J.F., Moerbeek, M., Olde, van der Hart, O., Kleber, R.J., PTSD after childbirth: A predictive ethological model for symptom evelopment. (2015) ). Volgens internationaal onderzoek krijgt ongeveer 4% PTSS door de bevalling ( Yildiz et al. 2017 Yildiz, P.D., Ayers, S., Phillips, L., The prevalence of posttraumatic stress disorder in pregnancy and after birth: A systematic review and meta-analysis. (2017) ; Cook et al. 2018 Cook, N., Ayers, S., Horsch, A., Maternal posttraumatic stress disorder during the perinatal period and child outcomes: A systematic review (2018) ; Grekin & O’Hara 2014 Grekin, R., O’Hara, M.W., Prevalence and risk factors of postpartum posttraumatic stress disorder: A meta-analysis. (2014) ).

  • J.J. Zwart (Auditcommissie Maternale Sterfte en Morbiditeit NVOG)
  • M.M. Harbers, red. ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu))