Drugsproblematiek vaker een neven- dan hoofddiagnose

Bij ziekenhuisopnamen waarbij drugsproblemen een rol spelen, is drugsproblematiek vaker een nevendiagnose dan een hoofddiagnose. Het merendeel van de ziekenhuisopnamen betreft  klinische opnamen Een klinische opname betreft een verblijf op een voor verpleging ingerichte afdeling, waarvoor één of meer verpleegdagen worden geregistreerd. (Een klinische opname betreft een verblijf op een voor verpleging ingerichte afdeling, waarvoor één of meer verpleegdagen worden geregistreerd. ), waarbij iemand één of meerdere dagen wordt opgenomen op een verpleegafdeling.  
Meer mannen dan vrouwen worden in het ziekenhuis opgenomen met drugsproblematiek als hoofd- of nevendiagnose. Bij cocaïneproblematiek zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen het grootst (79% versus 21%) en bij problemen door psychostimulantia het kleinst (60% versus 40%) (CBS-Statline, 2020).

Tabel: Ziekenhuisopnamen gerelateerd aan drugsgebruik 2018

 

Hoofddiagnose

Nevendiagnose

Totaal

Cannabis

155

1.705

1.865

Cocaïne

155

1.340

1.495

Opiaten

150

1.085

1.235

Psychostimulantia

335

455

790

Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek)

    • Ziekenhuisopnamen zijn klinische opnamen of  observaties Een observatie is een 'langdurige observatie zonder overnachting'. Dit is een niet geplande vorm van verpleging van minimaal vier aaneengesloten uren, zonder overnachting, op een voor verpleging ingerichte afdeling, met als doel observatie van de patiënt. Een observatie omvat ten minste een… (Een observatie is een 'langdurige observatie zonder overnachting'. Dit is een niet geplande vorm van verpleging van minimaal vier aaneengesloten uren, zonder overnachting, op een voor verpleging ingerichte afdeling, met als doel observatie van de patiënt. Een observatie omvat ten minste een…)
    • Aantallen zijn afgerond op vijftallen waardoor totalen kunnen afwijken van de som van opnamen
    • Er is niet gecorrigeerd voor dubbeltellingen van personen
    • ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision (International Classification of Diseases, tenth revision) codes:  F12, T40.10 (cannabis), F14, T40.5 (cocaïne), F11, T40.1, T40.3 (opiaten), F15, T43.6 (psychostimulantia)
    • Ecstasy- en amfetamine vallen in de categorie ‘psychostimulantia’  
    • Achterliggende cijfers op CBS-Statline

    Trend klinische ziekenhuisopnamen gerelateerd aan drugsgebruik 2015-2018

    Sla de grafiek Trend klinische ziekenhuisopnamen gerelateerd aan drugsgebruik 2015-2018 over en ga naar de datatabel

    Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek)

    • Aantallen zijn afgerond op vijftallen waardoor totalen kunnen afwijken van de som van opnamen
    • Er is niet gecorrigeerd voor dubbeltellingen van personen
    • ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision (International Classification of Diseases, tenth revision) codes:  F12, T40.10 (cannabis), F14, T40.5 (cocaïne), F11, T40.1, T40.3 (opiaten), F15, T43.6 (psychostimulantia)
    • Ecstasy- en amfetamine vallen in de categorie ‘psychostimulantia’  
    • Achterliggende cijfers op CBS-Statline

    Lichte stijging klinische opnamen voor cannabis, cocaïne en opiaten

    Het aantal  klinische opnamen Een klinische opname betreft een verblijf op een voor verpleging ingerichte afdeling, waarvoor één of meer verpleegdagen worden geregistreerd. (Een klinische opname betreft een verblijf op een voor verpleging ingerichte afdeling, waarvoor één of meer verpleegdagen worden geregistreerd. ) in het ziekenhuis waarbij een probleem met cannabis, cocaïne of opiaten als diagnose werd gesteld, steeg tussen 2015 en 2018 licht. Bij opnamen waarbij problematiek met psychostimulantia een rol speelde is er geen duidelijke stijging of daling te zien. De ziekenhuisopnamen betreffen opnamen waarbij drugsproblematiek een hoofd- of nevendiagnose was. In de meeste gevallen ging het om een nevendiagnose.


    E.M. Zantinge, red. (RIVM)