Meldingen en registraties beroepsziekten (NCvB)

Voor de bepaling van de  incidentie Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief. (Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief.) en  prevalentie Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief. (Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.) van beroepsziekten worden twee gegevensbronnen gebruikt van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB): Nationale Registratie Beroepsziekten en Peilstation Intensief Melden. Het NCvB registreert en signaleert beroepsziekten via het nationale melding- en registratiesysteem. Hierin worden meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen geregistreerd. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet is de bedrijfsarts of arbodienst verplicht om (vermoede) beroepsziekten te melden aan het NCvB. In aanvulling op deze Nationale Registratie Beroepsziekten worden in verschillende peilstations eveneens beroepsziekten geregistreerd met als doel betere cijfers te krijgen over het vóórkomen van beroepsziekten, zoals het Peilstation Intensief Melden ( PIM Peilstation Intensief Melden (Peilstation Intensief Melden)).

Nationale Registratie Beroepsziekten

Het aantal meldingen van beroepsziekten via bedrijfsartsen neemt de laatste jaren af en naar schatting is dit een onderrapportage van het werkelijke aantal ( NCvB 2020 NCvB, Beroepsziekten in Cijfers 2020, Amsterdam (2020) ). De meeste meldingen van beroepsziekten zijn afkomstig van ongeveer dertig procent van de circa 1.750 bedrijfsartsen, dus van 500 à 600 bedrijfsartsen, 46% van de bedrijfsartsen meldt nooit een beroepsziekte (de ‘chronische nulmelders’) ( De Zwart et al. 2014 De Zwart, B. C. H., Molenaar-Cox, P. G. M., Oostveen, A., Haanstra, V., Versterken melding beroepsziekten: Resultaten vragenlijstonderzoek, Leiden (2014) ). Bedrijfsartsen in de bouwsector blijken beroepsziekten veel vaker te melden dan bedrijfsartsen in andere sectoren. De bouw is dan ook al jaren verantwoordelijk voor de meerderheid van het aantal beroepsziektemeldingen. Dat het aantal meldingen in de bouw relatief zo hoog ligt, is een gevolg van het in de bouw ontwikkelde systeem voor het signaleren en voorkomen van beroepsziekten, waarin het PAGO/PMO een cruciale rol speelt. In 2013 stelde I- SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een onderzoek in onder bedrijfsartsen naar hun meldgedrag. Tussen oktober 2013 en mei 2014 is het aantal meldingen in de niet-bouw sectoren verdubbeld. Ook het aantal bedrijfsartsen dat meldde, is gestegen. Daarnaast heeft het NCvB een 6-stappenplan ontwikkeld om het aantal meldingen te verhogen ( Lenderink 2012 Lenderink, A., Het melden van beroepsziekten: Weten, willen, kunnen en mogen, Amsterdam (2012) ).

Bedrijfsartsen noemen als belemmerende factoren om te melden ( SER 2014 SER, Betere zorg voor werkenden. Een visie op de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg, Den Haag (2014) ):

  • Gebrek aan tijd om te melden en het feit dat de aan melden bestede tijd veelal niet declarabel is. In het contract met de bedrijfsarts zijn hierover vaak geen afspraken opgenomen. Dit komt vaker voor bij externe dan bij interne arbodiensten.
  • Onzekerheid over de juridische en/of economische consequenties van melden. Beroepsziektemeldingen zouden tot een claim van de werknemer bij de werkgever kunnen leiden, met eventuele consequenties voor de relatie en het contract tussen de bedrijfsarts en de werkgever.
  • Moeite met het herkennen en vaststellen van beroepsziekten. Dit geldt voor een deel van de bedrijfsartsen. Zij hebben onvoldoende kennis over de criteria die voor melding gelden en over de meldingsprocedure.
  • De arbeidsomstandigheden bij de bedrijven en instellingen waarvoor zij werken, zijn volgens een deel van de bedrijfsartsen goed, waardoor zij niet hoeven te melden. Er is daar voldoende aandacht voor preventie. Dit komt vaker voor bij interne dan bij externe arbodiensten.
  • Het belang van melden niet inzien en daar tegen een aversie hebben. Dit is de reden dat een klein deel van de bedrijfsartsen niet meldt. In het licht van de wettelijke verplichting tot melden is dit een opmerkelijke reden voor niet melden.

Peilstation Intensief Melden (PIM)

In 2009 is het Peilstation Intensief Melden van start gegaan. Dit is een project waar meer dan 150 gemotiveerde bedrijfsartsen aan deelnemen. Deze PIM-bedrijfsartsen worden door middel van workshops begeleid bij de diagnose en melding van beroepsziekten en zijn onderdeel van het PIM bedrijfsartsen netwerk. Dankzij deze begeleiding melden PIM-bedrijfsartsen ongeveer twee keer zoveel beroepsziekten als andere bedrijfsartsen. Daarnaast geven ze regelmatig door over hoeveel mensen zij de zorg hebben en uit welke sectoren die afkomstig zijn. Tegen deze ‘risicopopulatie’ kunnen de meldingen dan worden afgezet en kan het NCvB de incidentie berekenen (het aantal nieuwe gevallen per 100.000 werknemers per jaar). Op die manier wordt ook kennis verkregen over beroepsziekten bij specifieke groepen werknemers.


ArboNed

Voor de bepaling van de  incidentie Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief. (Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief.) en  prevalentie Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief. (Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.) van ziekteverzuim naar diagnosecategorie worden in VZinfo gegevens van ArboNed en HumanCapitalCare gebruikt. ArboNed en HumanCapitalCare zijn onderdeel van HumanTotalCare. ArboNed is een arbodienst, die werkgevers en werknemers vertegenwoordigt uit met name het midden- en kleinbedrijf. HumanCapitalCare is een arbodienst, gericht op de grootzakelijke markt. Gezamenlijk bedienen zij ruim 70.000 werkgevers en ruim één miljoen werknemers. Op 1 juli 2020 zaten er 1,2 miljoen werknemers in de datawarehouse van HumanTotalCare. De geanalyseerde cijfers voor dit onderwerp beslaan 960.000 werknemers.

ArboNed en HumanCapitalCare verzamelen gegevens over ziekteverzuim in een zogenaamde datawarehouse. De werkgever voert elektronisch een ziekmelding in op de eerste verzuimdag met een uniek nummer, naam-adres-woonplaatsgegevens, leeftijd, geslacht en functie; die elektronische melding komt vervolgens in de datawarehouse. Bij volledig herstel voert de werkgever een herstelmelding in op de dag van werkhervatting; die melding komt vervolgens ook in de datawarehouse terecht. De datawarehouse bevat dus alleen de gegevens van mensen die verzuimen of in het verleden verzuimd hebben. Het verzuimpercentage wordt vervolgens berekend door het aantal verzuimde kalenderdagen te delen door het totaal van de kalenderdagen van de werknemers in het datawarehouse (werkbare dagen). Uiterlijk op de 42e dag van het verzuim worden werknemers opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts. In dit spreekuur wordt de diagnose gesteld en ingevoerd in de administratie. Vervolgens worden deze diagnoses bij het middellange of langdurig verzuim ook opgeslagen in de datawarehouse. Tenslotte worden deze diagnoses gegroepeerd naar klachten aan het bewegingsapparaat, psychische klachten en overige lichamelijke klachten.


Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden ( NEA Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden))

Zelfgerapporteerde gegevens over arbeidsomstandigheden, ziekte en ziekteverzuim
De NEA is een periodiek onderzoek naar arbeidsomstandigheden van werknemer tussen de 15 en 75 jaar in Nederland. TNO voert de NEA uit in opdracht van het ministerie van  SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en in samenwerking met TNS NIPO en het  CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek). De NEA wordt sinds 2005 jaarlijks uitgevoerd en TNO publiceert de cijfers op StatLine. Tot 2013 deden jaarlijks gemiddeld ruim 23.000 werknemers mee. Vanaf 2014 is de steekproef vergroot van 80.000 naar 140.000 werknemers ( Hooftman et al. 2016 Hooftman, W. E., Mars, G. M. J., Janssen, B. J. M., Janssen, B., de Vroome, E. M. M., Michiels, J. E. M., van den Bossche, S. N. J., Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2015: Methodologie en globale resultaten, Leiden / Heerlen (2016) )

Doel is om kwaliteit van arbeid in Nederland te bestuderen
Het doel van de NEA is om de kwaliteit van de arbeid in Nederland te bestuderen onder een representatieve steekproef van werknemers. De NEA volgt trends in arbeidsrisico's, effecten van die risico's en maatregelen die werkgevers treffen. Ook worden de NEA-gegevens gebruikt voor het analyseren van de samenhang tussen verschillende aspecten van arbeidsomstandigheden, arbeidsinhoud, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De resultaten worden onder meer gebruikt als nationale referentiegegevens.

Allerlei arbeidsgerelateerde onderwerpen gerapporteerd
Onderwerpen die in de NEA aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: werktijden, overwerk, avond-, nacht- en weekendwerk, werkdruk, emotioneel zwaar werk en fysieke werkbelasting, lawaai, gevaarlijk en vuil werk, gevaarlijke stoffen, bedrijfsveiligheid, beeldschermwerk, agressie, pesten en discriminatie, gezondheid, chronische ziekten, burn-out,  KANS Klachten aan arm, nek en schouder. Dit wordt ook wel Repetitive Strain Injury (RSI) of klachten aan de bovenste extremiteiten genoemd. (Klachten aan arm, nek en schouder. Dit wordt ook wel Repetitive Strain Injury (RSI) of klachten aan de bovenste extremiteiten genoemd.), verzuim en arbeidsongevallen, arbo- en verzuimbeleid, arbodienstverlening, opleiding en ontwikkeling, relatie tussen werk en thuis. Door veranderingen in de opzet van de vragenlijst zijn enkele items verschillend gemeten over de jaren.

NEA vraagt naar ziekteverzuim in afgelopen 12 maanden
Specifiek voor het onderwerp ziekteverzuim vraagt de NEA de deelnemers of zij in de afgelopen 12 maanden hebben verzuimd, de frequentie en duur van het verzuim, en met welke klachten zij de laatste keer hebben verzuimd.