Preventie en zorg ingezet om gezondheid gunstig te beïnvloeden

Preventie en zorg van 'arbeid' gaat zowel over gezondheidsbevordering als gezondheidsbescherming Gezondheidsbescherming beschermt de bevolking tegen gezondheidsbedreigende factoren.. Preventie en zorg worden ingezet om de gezondheid in gunstige zin te beïnvloeden. Op de werkplek streven gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering naar een gezonde werknemer in een gezonde werkomgeving. Ook de bedrijfsgezondheidszorg (werkhervatting, re-integratie) valt hieronder. 

Gezondheidsbevordering vooral gericht op leefstijl

De werkende bevolking brengt een groot deel van de tijd op de werkplek door. De werkplek is daarmee een voor de hand liggende plaats voor gezondheidsbevordering die zich richt op een groot aantal werkenden. Het uitgangspunt bij gezondheidsbevordering in de arbeidssituatie is om de gezondheid van werknemers te bevorderen. Gezondheidsbevordering richt zich vooral op leefstijl: in de arbeidssituatie worden activiteiten aangeboden die de algehele gezondheid van werkenden ten goede komen.

Gezondheidsbescherming gaat om gezondheidsschade bij werknemers voorkómen

Bij gezondheidsbescherming gaat het om gezondheidsschade bij werknemers in de arbeidssituatie te voorkómen en te beperken door de arbeidsomstandigheden te verbeteren (bijvoorbeeld door de aanschaf van tilliften) of de blootstelling te verminderen (bijvoorbeeld door gehoorbescherming bij bepaalde lawaainiveaus). Ook worden negatieve effecten tegengegaan, zoals ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Samen streven gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering op de werkplek naar een gezonde werknemer in een gezonde werkomgeving.

Gezondheidsbevorderende programma’s om alle werknemers duurzaam inzetbaar te houden

Gezondheidsbevorderende programma’s die worden ingezet in arbeidsorganisaties hebben tot doel om de gezondheid, het welzijn en de participatie van werknemers te bevorderen. Het bevorderen van de gezondheid van werknemers kan leiden tot lager ziekteverzuim maar ook tot meer voldoening, hogere motivatie en minder verloop van werknemers. Wat geldt voor alle werknemers geldt ook voor werknemers die een chronische ziekte of gezondheidsproblemen hebben. Het is van belang dat ook chronisch zieken goed kunnen (blijven) functioneren en duurzaam inzetbaar blijven. Zo zullen er omstandigheden zijn waarmee een chronische aandoening minder goed is te combineren, bijvoorbeeld nachtdienst. Ook het soort werk en de sector kunnen zorgen dat iemand met een ziekte juist wel of niet optimaal kan functioneren. Steeds meer maatregelen op gebied van preventie en zorg richten zich op participatie van mensen met een chronische ziekte, waarbij gegeven de lichamelijke of geestelijke mogelijkheden gezocht wordt naar oplossingen.

Beleidsmaatregelen van andere sectoren kunnen effect hebben op gezondheid

Gezondheid wordt ook beïnvloed door veel verschillende factoren die buiten de scope van het volksgezondheidsbeleid vallen, zoals omgevingskenmerken of economische en technologische ontwikkelingen. Beleidsmaatregelen van andere sectoren, zoals ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) of bedrijven, kunnen daarom indirect een potentieel positief of negatief effect hebben op de gezondheid. Zo kunnen beleidsmaatregelen buiten het volksgezondheidsdomein als het verbeteren van werkfactoren, gezond roosteren, gezonde kantoorinrichting, ontspanningsoefeningen op het werk, bijscholingstrajecten binnen de arbeidssector en stimuleren van (recreatieve) voorzieningen in/rond bedrijven (groene bedrijventerreinen) effecten hebben op arbeidsgerelateerde werkdruk en stress.

Arbobeleid beïnvloedt gezondheid van werknemers

Het arbobeleid oefent invloed uit op de arbeidsomstandigheden en heeft daarmee ook effect op de gezondheid van werknemers. Ongezondheid kan leiden tot ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Met specifiek beleid gericht op arbeidsomstandigheden kan de beleidsmaker of werkgever dus ook ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid terugdringen.

  • P.E.D. Eysink (RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)
  • T. Hulshof, red. (RIVM)