Illustratie

Verschillen tussen zelfgerapporteerde en gemeten gegevens

De zelf gerapporteerde  CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek)-gegevens over medicatiegebruik zijn niet specifiek genoeg om te zien of iemand bloeddrukverlagende medicijnen gebruikt. Hierdoor is het niet mogelijk om met behulp van deze gegevens aan te geven of iemand een verhoogde bloeddruk heeft en/of bloeddrukverlagende medicatie gebruikt. Bovendien is er bij deze vraag sprake van onderrapportage. Dit bleek uit een vergelijking tussen gemeten gegevens uit het Regenboogproject en zelfgerapporteerde gegevens die het CBS verzamelde bij de deelnemers aan dat project. Ruim 1 op de 10 mensen die volgens de meting een verhoogde bloeddruk had, rapporteerde dit niet in de CBS-vragenlijst. Deze onderrapportage komt vooral voor bij deelnemers boven de veertig jaar ( Viet et al. 2003 Viet, A. L., van den Hof, S., Elvers, L. H., Vossenaar, M., Ocké, M. C., Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een onderzoek op GGD'en (Regenboogproject), Bilthoven (2003) ).


Gepresenteerde gegevens bij omvang

Vanwege de hierboven genoemde kanttekeningen bij de zelfgerapporteerde gegevens is in VZinfo.nl zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gemeten gegevens voor het beschrijven van de omvang van het probleem. De gegevens van het CBS (Gezondheidsenqûete) zijn alleen gebruikt als deze gegevens recentere informatie kunnen bieden vergeleken met de andere bronnen.


Internationale data van EHIS European Health Interview Survey (Europese gezondheidsenquête) (European Health Interview Survey (Europese gezondheidsenquête))

Het percentage van de bevolking dat rapporteert een hoge bloeddruk te hebben (Bron: Thelen et al. 2012 Thelen, J., Kirsch, N. H., Finger, J., von der Lippe, E., Ryl, L., ECHIM Pilot Data Collection, Analyses and Dissemination, Berlin (2012) ) zijn gebaseerd op de European Health Interview Survey (EHIS). Voor de overige landen zijn de gegevens uit nationale gezondheidsenquêtes afkomstig. De onderliggende methoden kunnen verschillen tussen deze landen, wat de vergelijkbaarheid van de gegevens kan verminderen.


Methoden en technieken

Standaardisatie

De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

Indexatie

Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Toetsing trends

Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil (een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil ) of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.

De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.