Illustratie

Maatschappelijke participatie

Meedoen in de samenleving
Een groot deel van de Nederlanders is actief in de maatschappij. Wat onder maatschappelijke participatie wordt verstaan kan verschillen. Vaak wordt maatschappelijke participatie aangeduid als ‘meedoen in de samenleving’. Welke invulling aan het woord ‘meedoen’ wordt gegeven kan variëren; van enige vorm van betrokkenheid bij de maatschappij, bijvoorbeeld in de vorm van lezen van kranten, tot actief deelnemen aan activiteiten buitenshuis, zoals betaalde arbeid. Daarbij worden meerdere indelingen gehanteerd, waaronder participatie naar setting (zoals sport, arbeid en onderwijs), participatie naar mate van inzet deelnemer (actief of passief) en participatie naar mate van betrokkenheid ( Harbers & Hoeymans 2013 Harbers, M. M., Hoeymans, N., Gezondheid en maatschappelijke participatie: Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014, Bilthoven (2013) ). In dit onderwerp worden de domeinen arbeid, onderwijs, vrijwilligerswerk en het geven van mantelzorg verder toegelicht.

Relatie tussen maatschappelijke participatie en gezondheid
Bij de beschrijving van de relatie tussen maatschappelijke participatie en gezondheid wordt vaak het  ICF International Classification of Functioning, Disability and Health (International Classification of Functioning, Disability and Health)-raamwerk gebruikt (ICF, 2002). Volgens de ICF leiden gezondheidsproblemen niet per definitie tot participatieproblemen. Naast medische factoren (de ziekte, de aandoening of het letsel dat iemand heeft) en de mate van beperkingen bij activiteiten die deze factoren met zich meebrengen, zijn namelijk ook persoonlijke factoren en externe factoren van invloed op participatie. Bij externe factoren gaat het bijvoorbeeld om omstandigheden op het werk, op school of in de zorg die de participatie kunnen beïnvloeden. Bij persoonlijke factoren gaat het bijvoorbeeld om persoonlijke eigenschappen, gedrag of demografische eigenschappen ( Harbers & Hoeymans 2013 Harbers, M. M., Hoeymans, N., Gezondheid en maatschappelijke participatie: Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014, Bilthoven (2013) ).


Arbeidsparticipatie

Beroeps- en niet-beroepsbevolking omvat alle 15- tot 75-jarigen
Alle 15- tot 75-jarigen behoren tot de beroeps- en niet-beroepsbevolking. De beroepsbevolking bestaat uit personen die betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking) of die geen betaald werk hebben, maar daarvoor direct beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking). De niet-beroepsbevolking betreft personen zonder betaald werk en die daarvoor niet direct beschikbaar zijn. Het gaat om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur. In de internationale literatuur wordt in veel gevallen een drempelwaarde van 1 uur aangehouden (CBS Statline).

Bruto- en netto arbeidsparticipatie
De bruto arbeidsparticipatie is het aandeel van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). De  netto arbeidsparticipatie Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Het betreft de bevolking van 15 tot 75 jaar. (Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Het betreft de bevolking van 15 tot 75 jaar.) betreft het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking) (CBS Statline).

Arbeidsduur: voltijd en deeltijd
Iemand met voltijdwerk werkt 35 uur of meer per week. Het gaat daarbij om het aantal uren dat iemand in een normale of gemiddelde werkweek werkt. Iemand die minder dan 35 uur werkt, werkt in deeltijd. Deze groep kan worden onderverdeeld in mensen met een grote deeltijdbaan (20 tot 35 uur per week) en mensen met een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week) (CBS Statline).


Onderwijsdeelname

Basisonderwijs
Het basisonderwijs omvat naast de gewone basisscholen ook de scholen voor kinderen van mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, de zogenaamde rijdende scholen en de ligplaatsscholen voor varende kleuters. Naast het reguliere basisonderwijs is er ook nog het speciaal basisonderwijs. Dit omvat het basisonderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, moeilijk lerende kinderen en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (CBS, Statline).

Voortgezet onderwijs
Onder voortgezet onderwijs (vo) wordt verstaan: het onderwijs zoals opgenomen in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Het voortgezet onderwijs omvat de onderwijssoorten voorbereidend wetenschappelijk onderwijs ( vwo Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs)), hoger algemeen voortgezet onderwijs ( havo Hoger algemeen voortgezet onderwijs (Hoger algemeen voortgezet onderwijs)), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs ( vmbo Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs)) met en zonder indicatie voor leerwegondersteuning en praktijkonderwijs (CBS, Statline).

Het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) kan worden gezien als tweedekansonderwijs, waarbij volwassenen alsnog een diploma of deelcertificaat kunnen behalen op het niveau van de theoretische leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo-t, voorheen  mavo Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs)), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) (CBS, Statline).

Middelbaar, hoger en wetenschappelijk onderwijs
Na het afronden van het voortgezet onderwijs kan de schoolloopbaan worden voortgezet op het middelbaar beroepsonderwijs ( mbo Middelbaar beroepsonderwijs (Middelbaar beroepsonderwijs)) (dit omvat de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), het hoger beroepsonderwijs ( hbo Hoger beroepsonderwijs (Hoger beroepsonderwijs)) en het wetenschappelijk onderwijs ( wo Wetenschappelijk Onderwijs (Wetenschappelijk Onderwijs)). De cijfers in de grafieken betreffen voltijd-, deeltijd- en duaalonderwijs (CBS, Statline).


Vrijwilligerswerk

Schatting aantal vrijwilligers hangt af van definitie
De definitie en afbakening van vrijwilligers varieert tussen databronnen en daarmee varieert ook het aantal vrijwilligers. Eisen ten aanzien van het  soort werk en in welk verband het  vrijwilligerswerk wordt uitgevoerd zijn van invloed op het percentage vrijwilligers.
Er worden in dit onderwerp verschillende definities van vrijwilligerswerk gehanteerd:

  • Definitie  CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek)
  • Definitie Gezondheidsmonitor 

Definitie Monitor Sociale samenhang en welzijn (CBS)
De volgende definitie van vrijwilligerswerk wordt gehanteerd in dit onderwerp: Vrijwilligerswerk voor organisaties of verenigingen, uitgevoerd in de afgelopen 12 maanden (CBS, Statline). Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk of andere activiteiten. Volgens de Rijksoverheid gelden in het algemeen de volgende voorwaarden voor vrijwilligerswerk:

  • Het werk is in het algemeen belang of in een bepaald maatschappelijk belang.
  • Het werk heeft geen winstoogmerk.
  • Het werk kost de arbeidsmarkt geen banen en komt niet in de plaats van een betaalde baan (Rijksoverheid).

Definitie Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 ( GGD Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst ))
Om inzicht te krijgen in regionale verschillen naar vrijwilligerswerk zijn de gegevens van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 gebruikt. Deze indicator is gebaseerd op de volgende vraag: "Doet u vrijwilligerswerk? Hieronder wordt verstaan: werk dat in georganiseerd verband (bijvoorbeeld sportvereniging, kerkbestuur, school) onbetaald wordt uitgevoerd" met 'ja' beantwoordt.


Mantelzorg

Uiteenlopende termen voor hulp aan familie en bekenden
Hulp aan familie en bekenden wordt in de literatuur aangeduid met verschillende termen, zoals informele hulp, informele zorg en mantelzorg ( Zantinge et al. 2011 Zantinge, E. M., van der Wilk, E. A., van Wieren, S., Schoemaker, C. G., Gezond ouder worden in Nederland, Bilthoven (2011) de Boer & de Klerk 2013 de Boer, A., de Klerk, M., Informele zorg in Nederland, Den Haag (2013) ). Hoewel deze termen door elkaar gebruikt worden, zijn het geen synoniemen. Mantelzorg richt zich op familie en bekenden met een hulpbehoefte als gevolg van een ziekte of aandoening. De doelgroep van informele hulp is vaak breder en omvat ook individuen met een hulpbehoefte los van ziekte of aandoening en los van de aanwezigheid van een persoonlijke relatie. Onder informele zorg wordt soms ook vrijwilligerswerk in de zorg geschaard.

Schatting aantal mantelzorgers hangt af van definitie en vraagstelling
De definitie en afbakening van mantelzorg varieert tussen databronnen en daarmee varieert ook het aantal mantelzorgers. Een belangrijk onderscheid is het verschil tussen het verlenen van mantelzorg in het afgelopen jaar versus mantelzorgverlening in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Ook eisen ten aanzien van de duur en intensiteit van de inzet zijn van invloed op het percentage mantelzorgers. Bovendien maakt het uit of de term mantelzorg expliciet in de vraagstelling is gebruikt. Het is namelijk bekend dat niet alle mantelzorgers zich zelf zien als mantelzorger. Soms is in een onderzoek naar meerdere onderwerpen gevraagd, maar gaat een specifieke publicatie over een selectie van de vragen uit de dataset. Zo kan het voorkomen dat publicaties die op dezelfde bron gebaseerd zijn andere cijfers presenteren.

Definitie CBS
De definitie van mantelzorg die het CBS gebruikt in de leefstijlmonitor en in de gezondheidsmonitor is als volgt: 'Zorg die iemand geeft aan een bekende uit zijn of haar omgeving, zoals een partner, kind of vriend, als deze persoon voor langere tijd ziek, hulpbehoevend of gehandicapt is. De mantelzorg kan bestaan uit het doen van het huishouden, wassen en aankleden, gezelschap houden, vervoer, geldzaken regelen enzovoort. Mantelzorg wordt niet betaald. Een vrijwilliger die werkt vanuit een vrijwilligerscentrale is geen mantelzorger. Iemand is mantelzorger als de zorg al minimaal 3 maanden duurt, of zorg biedt voor minimaal 8 uur per week' (CBS, 2017). 

Vraagstellingen behorende bij deze definitie (CBS, 2017): 
1. Heeft u in de afgelopen 12 maanden mantelzorg gegeven? 
2. Geeft u deze mantelzorg nu nog? 
3. Hoeveel uur mantelzorg geeft u momenteel gemiddeld per week, de reistijd meegerekend? 
4. Hoe lang geeft u al mantelzorg? 
5. Sommige mensen voelen zich erg belast door de verzorging van een ander. Zij vinden de zorg zwaar en moeilijk vol te houden. Voor de andere mensen geldt dat minder. Alles bij elkaar genomen, hoe belast voelt u zich momenteel? 
6. Is deze persoon waaraan u mantelzorg geeft een familielid?  

Definitie SCP
Het SCP omschrijft mantelzorg als ‘de zorg die wordt gegeven aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving waarbij het kan gaan om zowel heel langdurige of intensieve zorg als kortdurende en minder intensieve zorg’ ( De Klerk et al. 2014 De Klerk, M., de Boer, A., Kooiker, S., Plaisier, I., Schyns, P., Hulp geboden. Een verkenning van de mogelijkheden en grenzen van (meer) informele hulp, Den Haag (2014) ). In de enquête Informele zorg uit 2014, waarop het SCP haar cijfers baseert, staat de volgende vraag met betrekking tot mantelzorg: ‘De volgende vragen gaan over het geven van hulp aan bekenden met gezondheidsproblemen. Denk aan uw partner, familie, vriend of buur die hulp nodig heeft vanwege lichamelijke, psychische, verstandelijke beperkingen of ouderdom. Voorbeelden zijn huishouden doen, wassen en aankleden, gezelschap houden, vervoer of klusjes. Hulp in het kader van uw beroep of vrijwilligerswerk telt niet mee. Hebt u in de afgelopen 12 maanden dit soort hulp gegeven?’ ( De Klerk et al. 2015 De Klerk, M., de Boer, A., Plaisier, I., Schyns, P., Kooiker, S., Informele hulp: wie doet er wat? - Kerncijfers, Den Haag (2015) ).

De cijfers gepresenteerd op deze website VZinfo.nl zijn voornamelijk afkomstig van het CBS. Hiervoor is gekozen omdat met CBS cijfers meer uitsplitsingen te maken zijn, zoals mantelzorgers naar leeftijd, opleidingsniveau en herkomst. Deze uitsplitsingen kunnen daarna vergeleken worden met de andere domeinen binnen het onderwerp participatie. 


Regie over eigen leven

Eigen regie wordt als volgt gedefinieerd: Regie over alle domeinen van het eigen leven én alles wat naar eigen inzicht nodig is om een goed leven te leiden ( Meinema 2017 Meinema, T, Wat werkt bij eigen regie (2017) ). Iedereen voert in principe eigen regie over zijn of haar leven. Voor professionals is het belangrijk dat ze dit ‘voeren van de eigen regie’ niet onnodig belemmeren of hinderen. Eigen regie betekent dus dat een persoon, eventueel bijgestaan door naasten, zélf bepaalt wie welke hulp verleent of ondersteuning biedt en op welke manier dit gebeurt. Als mensen zelf in staat om de keuzes over hun eigen leven te maken, verhoogt dit de kwaliteit van leven.