Illustratie

Berekening VZ-registraties: PTSS als beroepsziekte geschat door het RIVM

Voor de bepaling van het aantal nieuwe gevallen van beroepsziekten waaronder PTSS Posttraumatische stressstoornis (Posttraumatische stressstoornis) worden gegevens gebruikt uit PIM Peilstation Intensief Melden (Peilstation Intensief Melden) (NCvB), Nationale melding- en registratiesysteem (NCvB), NEA Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden) (TNO) en VZ-registraties ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)). De cijfers van PIM, Beroepsziektenregistratie en NEA worden gebruikt zoals aangeleverd door NCvB en TNO. Voor de bepaling van het aantal nieuwe gevallen van de VTV In de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) rapporteert het RIVM elke vier jaar over de ontwikkeling van de volksgezondheid in Nederland. (In de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) rapporteert het RIVM elke vier jaar over de ontwikkeling van de volksgezondheid in Nederland.)-ziekten door arbeid is het arbeidsgerelateerde deel geschat. Het door arbeid veroorzaakte deel van PTSS is berekend met behulp van Populatie Attributieve Fracties (PAF; Eysink et al. 2012 Eysink, P. E. D., Dekkers, S. A. J., Janssen, P., Poos, M. J. J. C., Meijer, S.A., Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland, 2012, Bilthoven (2012) ; Hoeymans et al. 2007 Hoeymans, N., Gommer, A.M., van den Bossche, S. N. J., van Gool, C. H., Eysink, P. E. D., Blatter, B., Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland, Bilthoven (2007) ). De PAF geeft aan hoeveel procent van het gezondheidsverlies door de betreffende aandoening is toe te schrijven aan ongunstige arbeidsomstandigheden. De PAF is gebaseerd op de prevalentie Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief. (Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie), ooit in het leven (lifetime prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.) van de risicofactor in de populatie en een maat voor de sterkte van het verband tussen de risicofactor en de ziekte, het relatieve risico ( RR Relatief risico. De verhouding (quotiënt) van het risico op een aandoening bij aanwezigheid van een risicofactor ten opzichte van personen zonder deze factor. (Relatief risico. De verhouding (quotiënt) van het risico op een aandoening bij aanwezigheid van een risicofactor ten opzichte van personen zonder deze factor.)). Voor informatie over blootstelling aan de diverse schokkende arbeidsomstandigheden is gebruikt gemaakt van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). RR's zijn afkomstig uit de literatuur. 

Meer informatie: Methoden beroepsziekten: schattingen aantal nieuwe gevallen, prevalentie en sterfte 


Methoden en technieken

Standaardisatie

De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

Indexatie

Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Toetsing trends

Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil (een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil ) of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.

De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.