Totaal aantal geboorten 167.588 in 2019

In 2019 vonden er 167.588 geboorten plaats. Het betreft hier het aantal geboorten na een zwangerschapsduur van 28 of meer weken, ongeacht de levensvatbaarheid van de kinderen. Het gaat dus zowel om levend- als doodgeborenen. In 2019 werden 169.680 levende kinderen geboren (ongeacht zwangerschapsduur). Dit komt overeen met 9,8 levendgeborenen per 1.000 inwoners. In 2.476 van de geboorten was er sprake van een meerling. Daaronder was het aantal drie- of meerlingen zeer klein. In 2019 werden er in totaal 32 drie- of meerlingen geboren (CBS StatLine).

Tabel: Aantal geboorten en levendgeborenen 2019
 

Aantal

Totaal geboorten (vanaf 28 weken zwangerschap, zowel levend- als dood geboren)

167.588

Totaal levend geboren kinderen (ongeacht zwangerschapsduur)

169.680

Enkelvoudige geboorten

165.112

Totaal meervoudige geboorten

2.476

Bron: CBS Bevolkingsstatistiek

Deze cijfers zijn ook onderdeel van
Staat van Volksgezondheid en Zorg: kerncijfers voor beleid
- ECHI indicators: Crude birth rate

Meer informatie


Baby’s hebben steeds vaker een moeder van 35 jaar of ouder

In 2019 werden per duizend 35- tot 40-jarige vrouwen 68,9 kinderen geboren, in 2000 waren dat er 57. Het gaat daarbij steeds vaker om de geboorte van een eerste kind (CBS, 2016).

Vrouw is gemiddeld 30 jaar bij geboorte eerste kind

Vrouwen in Nederland waren in 2019 gemiddeld 30 jaar oud bij de geboorte van hun eerste kind. Het betreft hier de gemiddelde leeftijd van de vrouw op 31 december van het jaar dat haar kind werd geboren (levendgeborenen) (CBS StatLine). Van alle kinderen die in 2019 zijn geboren had ruim 25% een moeder van 35 jaar of ouder. Bij bijna een derde van de moeders van 35 of ouder ging het om de geboorte van hun eerste kind. Van de tienermoeders was 86% achttien of negentien jaar oud in 2019, 0,8% was jonger dan zestien (CBS StatLine).

Mannen zijn drie jaar ouder bij geboorte van hun kind

In 2019 waren mannen gemiddeld 32,8 jaar oud bij de geboorte van hun eerste kind. Vergeleken met vrouwen, zijn mannen gemiddeld drie jaar ouder wanneer zij hun eerste kind of opnieuw een kind krijgen.

Meer informatie


20ste eeuw: de babyboom en andere ontwikkelingen

In de eerste helft van de twintigste eeuw groeide het aantal geboorten vrij regelmatig. Na de Tweede Wereldoorlog nam de groei sterk toe. Vanaf de jaren zeventig is het aantal levendgeborenen snel gedaald (Ekamper et al, 2013). Secularisatie, emancipatie, individualisatie en de beschikbaarheid van de anticonceptiepil speelden hierin een belangrijke rol. Rond het jaar 2000 steeg het aantal geboorten opnieuw sterk, doordat de kinderen uit de naoorlogse geboortegolf zelf kinderen kregen (van Nimwegen & Heering, 2009).

2008-2009: lichte opleving na jarenlange geboortedaling

Na een daling van het aantal geboorten in de periode 2000-2007, is het aantal geboorten in 2008 en 2009 licht gestegen. De daling van het aantal geboorten in 2000-2007 kwam met name door de afname van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd (de Graaf, 2007). De stijging in 2008 en 2009 kwam doordat onder de groep vruchtbare vrouwen het moederschap niet langer uitgesteld werd; de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind stijgt nauwelijks meer. Ook speelde het gunstige economische klimaat in 2006 en 2007 een rol bij de toename van het aantal geboorten (CBS, 2008). 

2010-2019: verdere geboortedaling na een kleine opleving

In 2014 nam het aantal geboorten voor het eerst sinds de economische crisis toe. In 2015 daalde aantal geboorten weer tot 170.000 in 2019. Ten opzichte van 2009 is dat een daling van ruim 15.000 geboorten. Deze daling hangt niet samen met een daling van het aantal vruchtbare vrouwen. De laatste jaren is deze groep nagenoeg gelijk gebleven. De afname van geboorten zou een gevolg kunnen zijn van de economische crisis waarin Nederland verkeerde. Deze crisis leidt tot uitstel of afstel van het krijgen van kinderen (Loozen et al., 2013). 

Meer informatie


Vruchtbaarheidcijfer  laatste decenia gedaald

Het  vruchtbaarheidscijfer Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen per vrouw. Schatting voor het gemiddeld aantal kinderen dat een vrouw krijgt indien de in een bepaald jaar of voor een bepaald geboortecohort waargenomen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers gedurende haar leven zouden gelden. Het cijfer wordt berekend… (Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen per vrouw. Schatting voor het gemiddeld aantal kinderen dat een vrouw krijgt indien de in een bepaald jaar of voor een bepaald geboortecohort waargenomen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers gedurende haar leven zouden gelden. Het cijfer wordt berekend…) schommelde na de eeuwwisseling rond 1,75. De laatste decenia is het vruchtbaarheidscijfer weer verder gedaald tot 1,57 in 2019. In de jaren voor 1965 lag het gemiddeld kindertal per vrouw nog boven de 3. Het huidige vruchtbaarheidscijfer ligt ruim onder het vervangingsniveau van 2,1 kind per vrouw dat nodig is om de huidige generaties mannen en vrouwen volledig te vervangen. Net als bij vrouwen is ook bij mannen het kindertal met de generaties gedaald. Een wat lager vruchtbaarheidscijfer betekent niet dat de vrouwen die nu in de vruchtbare leeftijd zijn uiteindelijk gemiddeld minder kinderen zullen krijgen dan de generaties voor hen. Wanneer vrouwen nu wachten met kinderen krijgen, wordt er in het vruchtbaarheidscijfer geen rekening meegehouden dat zij die kinderen mogelijk later alsnog krijgen.

Hogeropgeleiden krijgen later kinderen

Hoger opgeleiden beginnen gemiddeld later aan kinderen dan lager opgeleiden. Dat geldt zowel voor mannen als vrouwen. Van de generatie 1970 was op 30-jarige leeftijd 64% van de lager opgeleide vrouwen moeder, en nog maar 27% van de hoger opgeleide vrouwen. Op 30-jarige leeftijd waren er minder mannen dan vrouwen met een kind: 35% van de lager opgeleide mannen was op die leeftijd vader en 18% van de hoger opgeleiden. Hoogopgeleiden maken na hun dertigste een inhaalslag. Mannen met een hoger opleidingsniveau worden uiteindelijk vaker vader dan lager opgeleide mannen. Bij de vrouwen is dat niet het geval, zij lopen de achterstand op lager opgeleide vrouwen niet helemaal meer in ( CBS CBS, Laagopgeleide mannen vaker kinderloos () ).

Meer informatie

  • E.A. van der Wilk, red. ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu))
  • C. Deuning (RIVM)
  • H. Giesbers, red. (RIVM)