Mazelen is een zeer besmettelijk virusinfectie

De veroorzaker van mazelen is een luchtwegvirus (een morbillivirus) dat alleen bij mensen voorkomt. Het is een zeer besmettelijk virus, dat zich verspreidt via direct contact en via druppeltjes in de lucht. Elk ziektegeval in een volledig vatbare populatie leidt tot gemiddeld vijftien nieuwe besmettingen. Na besmetting volgt bijna altijd ziekte. Een patiënt is besmettelijk van 1-3 dagen voor tot 5 dagen na het optreden van huiduitslag. De periode tussen besmetting met het mazelenvirus en de eerste verschijnselen van de ziekte duurt ongeveer 12 dagen. Tussen de besmetting en het ontstaan van huiduitslag zitten gemiddeld 14 dagen.

Meer informatie


Toch mazelenepidemie in Nederland ondanks vaccinatie

In het jaar dat mazelen in het  RVP Rijksvaccinatieprogramma (Rijksvaccinatieprogramma) werd opgenomen (1976), waren er nog 2.512 meldingen van mazelen. Sinds de invoering van vaccinatie tegen mazelen worden jaarlijks enkele tientallen mazelengevallen gemeld. In de jaren 1999-2000 deed zich een mazelenepidemie voor met ruim 2.300 geïnfecteerden in 1999 en ruim 1.000 in 2000. In 2013 begon er opnieuw een mazelenepidemie. Tijdens deze epidemie van 2013-2014 werden er 2.700 gevallen gemeld en 181 kinderen met mazelen in het ziekenhuis opgenomen ( Schurink-van 't Klooster & de Melker 2020 Schurink-van 't Klooster, T. M., de Melker, H.E., The National Immunisation Programme in the Netherlands: surveillance and developments in 2019-2020., Bilthoven (2020) ).

Mazelenepidemie vooral onder ongevaccineerden

Verreweg de meeste van de geïnfecteerden bij een mazelenepidemie zijn niet gevaccineerd. Een zeer klein deel (rond de 7%) is wel gevaccineerd of jonger dan 14 maanden en dus te jong voor vaccinatie. Omdat mensen die niet gevaccineerd zijn uit religieuze overwegingen vaak in dezelfde streek wonen, zullen mazelenepidemieën ook in de toekomst blijven voorkomen. Voor andere ongevaccineerden geldt dat zij veelal verspreid wonen over het land. Daar komen epidemieën niet zo snel voor, omdat er sprake is van groepsimmuniteit door voldoende gevaccineerde mensen.


Aantal sterfgevallen door mazelen

Sla de grafiek Aantal sterfgevallen door mazelen 1905-2019 over en ga naar de datatabel
  • 2019 zijn voorlopige cijfers
  • ICD-10 International Classification of Diseases, tenth revision (International Classification of Diseases, tenth revision)-codes B05.0-B05.4, B05.8-B05.9 (WHO-classificaties)
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het  CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen

In Nederland nauwelijks nog sterfte door mazelen

In de jaren ’30 van de vorige eeuw varieerde de sterfte aan mazelen tussen 200-300 gevallen per jaar. Het aantal sterfgevallen werd steeds lager, uitgezonderd een uitschieter aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen vaccinatie werd ingevoerd in 1976 was de sterfte in Nederland al gedaald tot enkele gevallen per jaar. Uit de doodsoorzakenstatistiek en de meldingen zijn in totaal 11 sterfgevallen van mazelen bekend vanaf 1981. Een deel hiervan komt door een infectie opgelopen in het buitenland. Drie sterfgevallen traden op in de epidemie van 1999/2000. Er is ook een vierde sterfgeval gerelateerd aan de epidemie van 1999/2000. Het betreft een jongen van 17 jaar die overleed aan de zeldzame ziekte SSPE (een progressieve, fatale hersenontsteking waarbij de neuronen worden geïnfecteerd met het virus). Dit is een laat optredende complicatie van de mazelen die hij tijdens de epidemie van 1999/2000 als 4-jarige opliep ( Hepp et al. 2015 Hepp, DH., van Dijk, K, Stam, CJ., van Oosten, BW., Foncke, EM. J., Progressieve cognitieve stoornissen bij een 17-jarige (2015) ). Tijdens de epidemie in 2013/2014 is een 17-jarig meisje overleden aan de complicaties van mazelen, en overleed vier jaar later nog een kind aan SSPE. 

  • T. Woudenberg ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu))
  • H. Giesbers, red. (RIVM)