Ruim 4,3 miljoen contacten tussen patiënten en HAP Huisartsenpost's

In 2019 zijn er in totaal ruim 4,3 miljoen verrichtingen gedeclareerd door alle HAP's. Ongeveer 17,8% van de inwoners in de verzorgingsgebieden van de huisartsenposten heeft één of meerdere keren per jaar contact met de HAP ( InEen 2020 InEen, Benchmark huisartsenposten 2019, Utrecht (2020) ). Een HAP kan verschillende verrichtingen declareren: consulten, visites en telefonische consulten. Het merendeel van de contacten is een consult op de HAP (ruim 2,1 miljoen) of een telefonisch consult (ruim 1,8 miljoen). De verhoudingen tussen de verrichtingentypes worden deels beïnvloed door het beleid van de huisartsenposten als bijvoorbeeld samenwerking met een spoedeisende hulp of afspraken met de ambulancedienst, maar ook door externe omstandigheden als kenmerken van de zorgvraag en geografische gebiedskenmerken ( InEen 2017 InEen, Benchmarkbulletin huisartsenposten 2016, Utrecht (2017) ).

De cijfers van het aantal contacten per 1.000 inwoners afkomstig van de vereniging van eerstelijnsorganisaties InEen komen overeen met die uit de registratie van huisartsenposten door Nivel Zorgregistraties eerstelijn.

Meeste contacten overdag in het weekend

Op de HAP is het het drukst in het begin van de avond doordeweeks en ’s morgens in het weekend. Doordeweeks tussen 18:00 en 19:59 uur vindt 12,3% van alle contacten gedurende een week plaats, in het weekend tussen 10:00 en 11:59 uur 10,1%. Hier tegenover staat een percentage van 0,85 tussen 04:00 en 05:59 in het weekend (Nivel Zorgregistraties eerste lijn). De HAP is alleen geopend tijdens ANW Avond-, nacht-, en weekenddienst-uren. 


Vooral jonge kinderen en ouderen maken gebruik van de HAP Huisartsenpost

Vooral jonge kinderen en ouderen maken gebruik van de HAP. Relatief gezien zijn de meeste consulten op de huisartsenpost voor kinderen van 0 t/m 4 jaar, en de meeste visites voor ouderen vanaf 85 jaar. Telefonische consulten vinden relatief gezien vooral plaats voor jonge kinderen en ouderen ( Ramerman et al. 2020 Ramerman, L., Rijpkema, C., Verheij, R., Zorg op de huisartsenpost; Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn: jaarcijfers 2019 en trendcijfers 2015-2019, Utrecht (2020) ).

Vooral ouders met jonge kinderen ongerust

Uit onderzoek waarin nader is ingezoomd op frequente bezoekers (3 tot 25 keer per jaar) met laagurgente problemen, blijkt dat ouders met jonge kinderen de belangrijkste groep vormen ( Giesen et al. 2010 Giesen, P., Stam, D., Wensing, M., Frequente bezoekers huisartsenpost vertellen over hun motieven "Je wilt de zekerheid dat het goed zit" (2010) ). Ouders zijn in veel gevallen extra voorzichtig met kinderen en nemen daarom relatief snel contact op met de HAP. Bovendien kunnen jonge kinderen niet precies aangeven wat er aan de hand is, waardoor ouders sneller onzeker en ongerust worden. Ook mensen met een chronische ziekte of een belaste voorgeschiedenis nemen vaker bij laagurgente problemen contact op met de HAP. Zij zijn snel ongerust en angstig, en hebben behoefte aan geruststelling en duidelijkheid over wat er aan de hand is.

Meer vrouwen dan mannen op de huisartsenpost

Vrouwen (270 per 1.000 vrouwen) maken vaker gebruik van de HAP dan mannen (234 per 1.000 mannen) ( Ramerman et al. 2020 Ramerman, L., Rijpkema, C., Verheij, R., Zorg op de huisartsenpost; Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn: jaarcijfers 2019 en trendcijfers 2015-2019, Utrecht (2020) ). Dit verschil is het grootst bij telefonische consulten. Deze aantallen zijn niet gecorrigeerd voor leeftijd, dus dit verschil kan deels verklaard worden door de gemiddeld oudere leeftijd van vrouwen in Nederland. 


Gemiddeld aantal contacten met HAP 2019

Sla de grafiek Gemiddeld aantal contacten met HAP 2019 over en ga naar de datatabel

Bron:  Nivel Zorgregistraties eerstelijn

Deelcontact: één contact kan één of meerdere deelcontacten omvatten. Een deelcontact heeft betrekking op één gezondheidsprobleem binnen één contact. Indien een patiënt in een contact meerdere gezondheidsproblemen aan de orde stelt, bestaat dit contact uit evenveel deelcontacten.

Klachten aan bewegingsapparaat vaakst reden voor contact met  HAP

Klachten waarvoor het vaakst contact is met de HAP Huisartsenpost (inclusief telefonische consulten) zijn gerelateerd aan het bewegingsapparaat. Daarnaast is er vaak contact met de HAP vanwege symptomen en aandoeningen van de huid en onderhuids bindweefel, algemene klachten en symptomen en aandoeningen van het maagdarmkanaal en ademhalingsorganen ( Giesen et al. 2010 Giesen, P., Stam, D., Wensing, M., Frequente bezoekers huisartsenpost vertellen over hun motieven "Je wilt de zekerheid dat het goed zit" (2010) ).

Meer lichamelijke letsels op HAP als deze vlak voor SEH ligt

De aard van de klachten is afhankelijk van de ligging van de HAP ten opzichte van de SEH Spoedeisende hulp en de wijze waarop de samenwerking met de SEH is vormgegeven; als de HAP vlak voor de SEH is gesitueerd, worden de huisartsen vaker voor lichamelijke letsels geconsulteerd ( van Uden et al. 2003 van Uden, C. J. T., van Dongen, A. W. M., Guldemond-Hecker, Y., Fiolet, J. F. B. M., Winkens, R. A. G., Crebolder, H. F. J. M., Poortwachter hersteld. Eerst naar de huisarts, dan naar de Spoedeisende Hulp (2003) ).

Meer informatie


Scheur- en snijwond meest gestelde diagnose bij consulten

Mensen die voor een consult naar de huisartsenpost gaan, doen dit vooral vanwege scheur- en snijwonden, buikpijn en acute infecties van de bovenste luchtwegen. De meest voorkomende gezondheidsproblemen die met een telefonisch consult afgehandeld worden zijn bezorgdheid over de (bij-)werking van een geneesmiddel, koorts, en urineweginfecties. Tijdens huisvisites hebben zorgverleners van de huisartsenpost vooral te maken met overlijden, longontsteking en benauwdheid. Per contact kunnen er meerdere ICPC International Classification of Primary Care-codes geregistreerd worden. De diagnosen in de tabel geven voor een deel de door patiënten gepresenteerde klachten weer en niet altijd de definitieve diagnosen, omdat soms nog nader onderzoek nodig is (bijvoorbeeld radiologisch onderzoek). In die gevallen is op het moment van registratie in het medisch dossier de uitslag van dergelijk onderzoek nog niet bekend bij de dienstdoende huisarts, zodat deze de klacht registreert en nog niet de definitieve diagnose.

Consulten Percentage
S18-Scheurwond/snijwond 7,6
D06-Andere gelokaliseerde buikpijn 3,8
R74-Acute infectie bovenste luchtwegen 3,7
U71-Cystitis/urineweginfectie 3,1
A03-Koorts  2,8
Telefonische consulten Percentage
A13-Bezorgdheid over (bij)werking geneesmiddel 4,2
A03-Koorts 3,8
U71-Cystitis/urineweginfectie 2,7
T90-Diabetes mellitus 2,1
L04-Borstkas symptomen/klachten 2,1
H01-Oorpijn 1,9
D06-Andere gelokaliseerde buikpijn 1,9
Visites Percentage
A96-Dood/overlijden 9,6
R81-Pneumonie 5,3
R02-Dyspnoe/benauwdheid (luchtwegen) 3,6
R95-Emfyseem/COPD Chronic obstructive pulmonary disease (Chronische obstructieve longziekten) 3,2
U71-Cystitis/urineweginfectie 3,2

Bron:  Nivel Zorgregistraties eerstelijn

Frequentie diagnose hangt af van type consult

De frequentie waarmee een bepaalde diagnose wordt gesteld, hangt samen met het type contact. De doktersassistente of huisarts handelen onder andere koorts, bezorgdheid over (bij)werkingen van geneesmiddelen en urineweginfecties vaak telefonisch af. Bij een consult op de HAP Huisartsenpost worden vaak scheur- of snijwonden, acute infecties van de bovenste luchtwegen en urineweginfecties gezien, en bij een visite gaat het vaak om het vaststellen van overlijden of om klachten vanwege longontsteking en benauwdheid ( Zwaanswijk 2014 Zwaanswijk, M., Zorg op de huisartsenpost - aantal contacten naar ICPC-hoofdstuk (2014) ).

Meer informatie


Meeste hulpvragen op de HAP zijn dringend

De meeste hulpvragen die gepresenteerd worden op de huisartsenpost krijgen de urgentie U3 (dringend). Hierna komen hulpvragen in de urgentiecategorie U5 (advies) het meest voor. De urgentie van hulpvragen varieert sterk per type contact. Hulpvragen die worden geclassificeerd als U3 (dringend) leiden het vaakst tot een consult en hulpvragen met de urgentiecategorie U5 (advies) worden het vaakst telefonisch afgehandeld. Hulpvragen met de urgentie U2 (spoed) of U3 (dringend) leiden het vaakst tot een visite ( Ramerman et al. 2020 Ramerman, L., Rijpkema, C., Verheij, R., Zorg op de huisartsenpost; Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn: jaarcijfers 2019 en trendcijfers 2015-2019, Utrecht (2020) ).

Reden voor contact bij niet-urgente problemen vaak wel begrijpelijk

Dat een hulpvraag medisch gezien 'niet urgent' is, wil overigens niet zeggen dat deze ‘niet terecht’ is. Er is waarschijnlijk een grote groep patiënten die om volkomen invoelbare redenen van ongerustheid, ervaren last of gebrek aan kennis over de klacht niet wil wachten. Het behoort tot de taken van een huisartsenpost om vragen te beantwoorden van mensen die niet kunnen wachten tot zij in de eigen huisartsenpraktijk terecht kunnen ( van der Werf 2005 van der Werf, G., Hulpvragen op de dokterspost: ongerust of urgent? Commentaar (2005) ). Uitleg geven, geruststellen en zelfzorg adviseren zijn belangrijke taken.


Aantal consulten HAP neemt af

In de grafiek valt in 2019 met name de daling van het aantal fysieke consulten op de huisartsenpost op. Het absoluut aantal consulten is ten op zichte van 2018 gedaald met 2,5% en komt daarmee uit op een totaal van 122 consulten per 1.000 inwoners. Ook het aantal visites neemt verder af naar 19 per 1.000 inwoners. De daling van het aantal consulten in 2019 is een trendbreuk ten opzichte van de afgelopen jaren. Het aantal telefonische consulten neemt juist opnieuw toe en stijgt naar 108 per 1.000 inwoners. Dit kan dit duiden op een betere verdeling van de instroom van patiënten bij de huisartsenpost tijdens het triageproces. Hiermee lijken huisartsenposten steeds beter in staat om de juiste zorg op de juiste plek (JZOJP) te bieden ( InEen 2020 InEen, Benchmark huisartsenposten 2019, Utrecht (2020) ). De trends in het aantal contacten per 1.000 inwoners afkomstig van de vereniging van eerstelijnsorganisaties InEen komen overeen met die uit de registratie van huisartsenposten door Nivel Zorgregistraties eerstelijn.

  • R. Gijsen (RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)
  • G.J. Kommer (RIVM)
  • C.M. Deuning (RIVM)